dinsdag 14 juli 2015

Nova Scotia: mist comes, mist goes

Zoals Geert Mak placht te zeggen in In Europa: waar waren we ook alweer gebleven?

Op maandag 6 juli rijdt ik met Monique naar Boston vanwaar ze ’s avonds weer naar huis, katten en (klein-)kinderen vliegt. Daarvoor hebben met Judy & Joe uit Fall River afgesproken te lunchen, zodat die Monique ook nog even zien. Terwijl ik wat rondloop zit Monique op een bankje voor Faneuil Hall. Judy komt naast Monique zitten maar die heeft dat pas door als Joe een foto van haar maakt. Grote vrolijkheid.
We eten oesters en fish & chips in de Union Oyster House, in een prachtige herberg uit zeventienhonderdennogwat. Omdat Monique niet veel kan lopen maken we een City Tour, maar die haalt het niet bij die in Portland. En dan zet ik Monique af op Logan en rijd eenzaam naar terug naar Kitterie.

Martin zeilt mee naar Nova Scotia, Kyle pakt de woensdagavond de Nova Star, de ferry naar Yarmouth vanuit Portland en samen rijden ze dan een paar dagen rond om met de Digby-Saint Johns-ferry terug te gaan.
Martin en ik staan dinsdag 7/7 om zes uur op, rijden naar Portland waar Selena (hopelijk nog) ligt te wachten aan een mooring, doen de nodige boodschappen, de auto moet terug naar de verhuurder, ik moet diesel innemen, het kost allemaal meer tijd dan gedacht zodat we pas om 12 uur vertrekken.
Er staat veel meer wind dan voorspeld door mijn verschillende weer-apps. Ik steek een rif, maar als we eenmaal buiten zijn is de helft van de wind weg. Tussen de eilanden bij Portland tocht het blijkbaar vreselijk. Het zonnetje schijnt, het rif gaat eruit en steeds langzamer zeilen we richting Yarmouth NS. Maar na een tijdje komt de wind terug en gaan we halve wind met 5 tot 6 knopen de avond in. Terwijl het nog licht is, verdwijnt langzaam de horizon. Na een uurtje zitten we in dichte mist die niet verdwijnt als het donker wordt. Lang leve de radar die ik van Monique gekregen heb! En de AIS. De Nova Star komt ons om 5 uur ’s middags tegemoet op een paar mijl en om tien uur waarschuwt de AIS dat hij over een half uur over ons heen zal varen. Dus verleg ik de koers iets om hem op ½ mijl te laten passeren. Beide keren zie ik hem alleen op de radar en AIS. Verder is er geen scheepvaart te bekennen. Zo benauwd als ik het had toen ik eens met Sjef in dichte mist vanuit IJmuiden naar Great Yarmouth (UK) – en terug ook weer –  voer, en trouwens ook eens bij de aanloop van Haugasund, Noorwegen, zo ontspannen vaar ik nu met elk kwartier een blik op de radar. Een keer passeert een schip op 5M afstand, verder is de Gulf of Maine (het is nog geen Bay of Fundy) leeg. Pas in de loop van de (woensdag-) ochtend trekt de mist op. Al die tijd bleef het lekker waaien, dus over de voortgang niets te klagen. We zien de zon woensdagavond vaag ondergaan in dunne bewolking. En dan komt de mist weer op – en verdwijnt de wind. Om 8 uur EDT – dan is het hier donker, om vier uur wordt daarentegen alweer licht – is het nog maar 20M, nog 20 uur bij de ene knoop die we met moeite maken – of 4 uur op de motor. Geen moeilijke beslissing, we hebben twee jaar geleden niet voor niets zoveel moeite gedaan om weer een werkende motor te krijgen. Precies middernacht zijn we bij Cape Forchu, de ingang van het (natuurlijke) kanaal de haven van Yarmouth in. 180M in 36 uur, op enkele uren na gezeild.
We hebben nog steeds nul zicht – opzij welteverstaan, boven ons is een heldere sterrenhemel te zien). Ik vertrouw de radar en de electronische kaart van Navionics (de hele VS en Canada tot in alle details voor Є 55!). De vuurtoren, Forchu Lighthouse, die op 13M zichtbaar zou moeten zijn, zien we überhaupt niet, verlichte tonnen laten hun knipperlicht zien als we vlak langs ze gaan. De onverlichte zijn alleen vaag zichtbaar als je ze bijna kunt aanraken. Over een afstand van 3M is het kanaal smal, met aan beide kanten een steil oplopende bodem, deels modder maar deels ook harde rots. Langzaam kruipen we naar binnen. In de haven van Yarmouth is het eindelijk wat minder mistig en kunnen we bij het aanleggen aan Killams Wharf zien wat we doen. Om een uur liggen we vast en drinken een biertje op de geslaagde overtocht.

Na een paar uur slapen is het donderdagochtend. De douane komt aan boord, een aardige gezette meid in een kogelvrij vest die liever niet heeft dat ik een foto van haar neem, en klaart ons in. Kyle is gearriveerd met de pont. We rijden naar Forchu Lighthouse waar een bord suggereert dat Leif Ericson, de naar Groenland verbannen IJslander, hier geweest zou kunnen zijn. In 1812 is hier een rots gevonden met runen, alleen geen bekende Noorse of IJslandse. De Yarmouth Runic Stone is nog steeds niet ontcijferd, dus is het lekker speculeren en fantaseren.
Het Tourist Office heeft een wandeling uitgezet langs een aantal historische 19e eeuwse huizen. Hout, sommige mooi eenvoudig en strak, sommige vol frutsels en ornamenten. De beschrijvingen op de folder die de weg wijst zijn architectonisch ondoorgrondelijk. Victorian als stijl is er nog wel uit te halen, Gothic Revival bij sommige ook nog wel wegens gotisch-achtige ramen en puntige baldakijnen boven de voordeur, maar het ene strakke huis (zonder zelfs pilaren!) als Greek Revival aanduiden en het volgende dat er praktisch hetzelfde uitziet Neo-Queen Ann ontgaat ons. We komen ook nog langs Georgian, Italian Revival en Colonial, maar de stijlkenmerken die de schrijver van de folder meende te zien, ontgaan ons.
We eten meer dan voortreffelijk in de Historic MacKinnan Inn waar chef Michael “achter de kachel staat”. Hij was chef in British Columbia (dus waarschijnlijk Vancouver), ontmoette hier de vrouw van zijn leven die niet weg wilde, dus kookt hij nu hier.

Zaterdag 11 juli
Daar zit ik dan, solo in Yarmouth, Nova Scotia, Canada. Vanmorgen wilde ik na twee dagen maar weer eens verder. De morgen was prachtig helder, hoog water, met de stroom mee het smalle havenkanaal uit. Maar terwijl ik mijn ochtendkoffie dronk en yoghurt met granola at werd het klam en koud, en verdween de omgeving in het wit. Zelfs het vogeleiland vlak tegenover de wharf waar ik lig en de enorme blauwe ferry die om zeven uur aankomt en na ont- en inladen om negen uur weer achter me vertrekt, waren er niet meer.
Ik begin een langzaam-aan-actie, mail sturen en weerbericht ophalen, douche, op zoek naar lekker brood en tomaten. Als ik eindelijk geen reden meer heb om niet uit te varen, de mist is inmiddels opgetrokken, is het laag water en gaat de stroom tegenstaan. Jullie raden het al: ik blijf nog een dag, en ga zo fietsen naar de vuurtoren van Cape Forchu die op 50m bij het binnenvaren onzichtbaar was. Ook toen was er mist.

zondag 12 juli
Wind ZZW, geen mist, weg. Na het Yarmouth-kanaal kan ik zowaar hoog aan de wind zeilen naar mijn waypoint de Schooner Passage in.Er komt een zonnetje bij, heerlijk. Als ik bij de RW aanloopton ben valt de wind weg, wel zo makkelijk. Kruip-door-sluip-door tussen de Tusket Islands. Op een ervan is volgens Willem’s pilot een wharf “where you can, out of the main stream of current can have a reasonable night *Caustion: this entrée hasn’t beem update for 25 years”. Een wharf is een steiger van zware palen voor vissersboten. Johns Island, ½x¼ km, lijkt onbewoond. Er staan twee verlaten huisjes, alles ziet ernaar uit of er in geen jaren een mens gelopen heeft. Er ligt geen boot, maar de steiger staat vol kreeftenvallen, maar het kreeftenseizoen is hier nu afgelopen (zie hieronder) dus denk ik niet dat er straks een lobsterboat komt om me weg te sturen. Maar als ik voorzichtig de steiger opklim – 3m langs een met zeeplant brgroeide roestige ijzeren ladder omhoog – voor een paar foto’s, blaft in de verte een hond. Als ik uren later later de steiger vanaf het dek opstap, het water is drie meter gestegen, niet meer.
Ik ben er iets na laagwater en kan dus voorzichtig proberen of het diep genoeg is. Dat is het. Intussen, 1½ uur later, zie ik de main stream of current met zo’n 4 knopen (uit de richting die ik morgen verder ga) langslopen. Naast de boot is het een kleine race, met eddies en rips, die van Alderney in het klein. Vier dikke lange lijnen doen hun werk.
Het is wel wennen na New England waar ik drie pilots kon openslaan voor uitgebreide beschrijvingen van marina’s, moorings en ankerplaatsen. Hier moet ik het doen met niet meer dan het citaat hierboven.
Onderweg werd ik op VHF 16 opgeroepen door een vliegtuig van de Canadese Kustwacht: thuishaven, waar ik vandaan kwam, waar ik naartoe ga, “how many souls on board? .... Have a safe journey”.
  
Maandag 13 juli
Na een zeer onrustge nacht, kookwekker op 90 minuten om te zien of het allemaal goed gaat, tussendoor gepiep en gebonk omdat stootzillen tussen de palen blijven knellen, om 8 uur met de kentering van het tij op weg. Nul wind, dit is geen plek om te blijven, zeilen is er niet bij, dus op de motor verder naar Cape Sable, 20M verder.
Cape Sable (zand) heeft een reputatie. Laag, dus moeilijk te zien, plotseling mist, rips (= akelige korte golven), maar je moet er omheen, of je nu oost of west gaat. Er zijn twee mogelijkheden: inshore, vlak langs de kust, of offshore, mijlen er omheen.
Mijn eerste idee was voor Cape Sable goed tij af te wachten. Maar ik heb daankzij stroom mee nog twee uur voor de stroom “up to four knots” tegen gaar staan. Inshore of offshore? Ik denk aan Monique, Joosje, Reina, Merlijn, Nena, en Hijdiekomengaat. Ik denk dat de meerderheid zou vinden “neem nou maar geen risico” en ik neem de offshore route. Hoewel nog steeds zonder wind en geen grote diepteveranderingen is het raar water. Olieachtige golven van meer dan een meter, af en toe een draaikolkje. En dan wordt het water gewoon en steekt er een briesje op en kan ik het begin van de zuidkust van Nova Scotia bezeilen, “without hard current, rips and enormouth tide ranges”.
De eerste “haven” (diepe inham) aan deze kant is Port la Tour.
Achter me hoor ik een luide snurk en kijk om. “There she blows!” is overdreven, maar er gaat een walvis achter me langs. Nog een paar keer traag omhoog, snurkend en weer onder, en hij/zij is achter me verdwenen. It makes my day, if it wasn’t made already.
Om 16:30 ADT gooi ik na 43 mijl het anker uit in Port la Tour en vind een Dogfish 90 in het ruim om de zonsondergang af te wachten.

Dinsdag 14 juli
Na wat gereken blijkt dat ik me niet hoef te haasten voor het vertrek naar Shelburne waar ik heen wil. Waar ik heen wil, geen wind dus dan maar op de motor. Er komt wat mist binnen, na een kop koffie is de mist weer weg. I don’t care, op radar en plotter weet ik de weg te vinden. Een zeehond steekt zijn kop op naast de boot. Ik haal het anker op .
De wind blijft weg, de electrieke stuurautomaat doet haar werk, ik kijk rond naar walvissen, maar het blijft bij nog wat zeehonden en een paar porpoises (kleine dolfijnen).
Het is nog maar 1550M naar Pico, de westelijkste Azoor. Ik bedwing de aanvechting de koers op 100 graden, twee weken zeilen naar deze buitenpost van Europa, te verleggen. Iets verder op is de  inham van 10 M naar Shelburne, die neem ik.
Binnen word ik ingehaald door mist, die ook weer verdwijnt. Town dock? Ankeren? Ach wat, ik leg om half vijf aan bij de Shelburne Harbour (hier met ou) Yacht Club. Er liggen wat Amerikaanse jachten. Ik drink een biertje op de Tiara bij John en Bob uit Boston die net de Marblehead-Halifax Race gedaan hebben. Bob wil hier met zijn boot varen zonder vrouw en kinders die overkomen te belasten met erge stromen en mist en tekent mijn ervaringen ankerplaatsen van mijn tocht van Yarmouth naar hier op.
Dan ga ik voor een biertje de jachtclub in. Een echte club, bijna allemaal mensen die ooit wedstrijdjes zeilden, en – allen ouder – elkaar hier nu ontmoeten bij een glaasje. Ik sta er aan de bar met mijn glas bier, buiten wappert fier Ne’erland’s driekleur achter op Selena.
Ik sta er als ieman die er al jaren staat, even een opmerking over mist die plotseling over het deck van de YC komt en even later weer weg is, een blik van een man als zijun vrouw heeft gezegd dat ze weg wil en dan blijft kletsen met een ander, schouderklopjes van mensen die vertrekken alsof ze me al jaren kennen .... Maar geen “where did you sail from ...” etc (zoals de Amerikaan van de Tiara). Curieus, zou ds. Sneef zeggen. Morgen ga ik wat wandelen en de “best fish chowder “ (zoals M&K texten) eten hier.

 Een paar verschillen met de VS die meteen opvielen:
-          Kleinere, eenvoudiger huizen (op enkele na, zie boven),
-          Was die buiten te drogen hangt
-          meer en grotere visserschepen,
-          government wharfs in plaats van particuliere waar je tussen de vissers je plek moet vinden (behalve in een paar grotere plaatsen, zoals Yarmouth waar ik nu vrij van vissers aan een drijvend dock lig)
-          geen dobbers van kreeftenvallen
-          een flink aantal mensen spreekt een soort frans
-          nauwelijks/geen zeiljachten (tot ik in Shelbure was drie)
-          goedkope (box-) wijn is hier 2x zo duur als in de VS

Er zullen nog wel meer verschillen aan het licht komen.
De kleinere huizen hebben ongetwijfeld met besteedbaar inkomen te maken. Yarmouth was ooit het Rotterdam van deze streken met een grote vloot, reders, handelaren, overslag van goederen uit alle windstreken, scheepswerven en industrie. Daarvan is weinig meer over. Alleen de visserij is gebleven. Hetzelfde geldt op het eerste gezicht voor Shelburne.
Dat er geen kreeftendobbers liggen, heeft te maken met het kreeft-visseizoen dat loopt van eind november tot 31 mei. De kreeftenboten zijn veel groter dan aan de Amerikaanse kant van de Gulf of Maine, – en lelijk, met achterdekken waarop je badminton kunt spelen. Ze beweren hier dat de meeste kreeft die verkocht wordt als Maine Lobster hier gevangen wordt. Geeft niet, het is dezelfde soort kreeft. Alleen hebben ze hier, heb ik al ontdekt, de gewoonte om kreeft in een roomsaus op te dienen. Nog steeds heerlijk, maar het hoeft niet.

Hoe zit dat met het rare Frans hier? Ik ga naast een paar dames staan die druk aan het converseren zijn. Er worden veel Engelse woorden tussendoor gegooid.
Een galerie-houder in Yarmouth (we bekijken de lokale kunst, er hangen een paar mooie schilderijen en prachtige foto’s) vertelt dat het Acadian is. We zijn hier (ook) in Acadië.
Dat zit zo.
In het prille begin van de 17e eeuw, een paar jaar voor de Jamestown Colony in Virginia (1607) zelfs, vestigden zich hier Franse kolonisten die vredig samenleefden met de Mikmak (Mi’kmaq) indianen. 80 jaar eerder voer de Italiaan Verazzano (naar wie de brug tussen Staten Island en Brooklyn, New York is vernoemd) hier rond en vond het zo mooi dat hij het Arcadië noemde. De Franse bewoners werden Acadiens, Acadië een aparte provincie (dus geen onderdeel van Quebec) van Nieuw Frankrijk. In King Williams War (daar is onze Willem III weer, zie het vorige blog) namen de Engelsen het hier over, in het Verdrag van Utrecht van 1713 werd Canada Brits. Toen de Acadians rond 1750 nog steeds een eed van trouw aan de Britse Kroon weigerden, werden ze gedeporteerd, want je kon geen 5e kolonne hebben op een zo strategisch gelegen schiereiland. Een deel van hen ging dood, een deel naar Louisiana en werd Cajun en een ander deel verstopte zich. De Britten gaven hun boerderijen en land aan settlers uit Engeland en Nieuw Engeland. 20 jaar later mochten de Acadians weer terugkomen, maar niet op hun oude stekken, ze moesten opnieuw beginnen. Naast in Nova Scotia zijn er Acadians in New Brunswick – de Canadese provincie boven Maine – en in Maine (later deze zomer hoop ik het anker uit te gooien bij Acadia State Park op Mount Desert Island).
Acadians zien zich anders dan de Frans-Canadezen uit Quebec en spreken een ander, nog  17e eeuws, Frans. Frenglish, zeggen de Engels-sprekenden hier, want voor alles van na 1800 dat benoemd moet worden, worden Engelse woorden gebruikt En zelfs de Acadiens van hier (ZW Nova Scotia) kijken met scheve ogen naar die uit NO Nova Scotia, vertelt de galerie-houder.

En de dure wijn komt door het staatsmonopolie. 


Wordt vervolgd. Foto’s komen morgen apart, dat is gemakkelijker.

maandag 6 juli 2015

... en Monique gaat alweer

28 juni

Het idee was verder te gaan vandaag (= zondag), langs een landtong met op de punt een vuurtoren, een diepe inham in, voor anker voor een eilandje. Maar het weer is snotty, very snotty, mist, stromende regen, windkracht 6bf binnen en 8 buiten. Voor $114 mogen we met plezier tot maandag blijven.
Naast kreeft eten we ook steamers (zie foto hiernaast), in Maine zijn dat clams met een slurf (of wat je er ook in ziet).

Binnen in de kajuit staat de verwarming aan, buiten striemt regen horizontaal en is het KOUD. Het duurt tot twee uur voor we toch maar naar buiten gaan. We nemen na een broodje de toeristen-trolley: een toer door Portland met wat lokale wetenswaardigheden - en droog. De driver-guide - voormalig taxi-chauffeur uit New York - is geestig, met een aantal grappige anekdotes over beroemdheden die hier gewoond hebben, maar hij blijft een wise guy from New York.
"Over there is Portland International Airport. Know why it's international? Once a week there's a flight on Canada" en "To the right you see the highest building in the State of Maine. 14 stories! Woooow!"
Ook heeft hij nu en dan een quiz:
"The Maine coast zig-zags 3000 miles. Who knows what state has most lighthouses?"
"Michigan!" roept een dame van in de veertig achter uit de bus. 
"Amazing! Maine has 80 and Michigan has  about 140. How do you know?"
"Well, lighthouses are my hobby".
Dames blijven me soms verbazen.
Nog een: "what's the most used word in Maine?" ..... Not cool, awesome, neat, great..... Wicked! You have a wicked icecream, my wife is wicked, your holiday was wicked". 
Was me niet opgevallen. 
De bus rijdt naar Portland Lighthouse op Cape Elizabeth, bekend bij Hopper-liefhebbers. Metershoge korte holle golven slaan met veel geweld op de rots waarop hij staat. De groene boei die wij twee dagen eerder aan de verkeerde kant hielden om buiten de groteschepenvaargeul te blijven, ligt nu in de kokende golven. De overkant, Cushing Island, is nog geen 3/4 mijl weg maar niet te zien.
"It's an angry sea today", zegt onze gids. We zijn blij dat we binnen liggen aan een steiger.

Ja, zo'n toeristenbustripje is altijd toch een snelle manier om een beetje de plaats op te snuiven. Het is klotenweer en een beetje flauwtjes schuif ik naast Bas in het bankje van de trolleybus. Lekker me een beetje rond laten rijden, denk ik, blijkt het een interactieve chauffeur/gids te zijn die feedback verlangt. He bah, geen zin in. Maar eerlijk is eerlijk, hij is goed, weet veel en heeft originele, soms wat melige, grappen.
Op de voorste banken in de bus een heel dikke dame, zo dik dat zij met haar "behind" bijna de gehele breedte van het tweepersoonsbankje nodig heeft. Haar iets minder dikke man zit op het bankje aan de andere kant van het gangpad, camera in de hand.
Stel je voor, trolleybus in stromende regen, met neergeklapte plastic zijramen die behoorlijk condensbeslagen zijn (voor aanvang van de trip worden keukenrollen doorgegeven om ramen enigszins schoon te vegen) maar dikke man maakt van alles wat de driver aangeeft foto's dwars door het beregende/beslagen plastic heen; zo ook trouwens de andere passagiers (ik vraag me af wat ze later gaan doen met een betraande foto van een herinneringskei o.i.d.)
"Speaking Maine: put an r where it isnt, f.i. CaliforniaR, but lobster is lobstah, Mainer-Mainah, Chowder-Chowdah, etc."
"On your left you see the Gothic House, see it? Got your picture? ....... Gothic, my ass!!!", en dat moeten die mensen in dat huis wonen dus zo'n acht keer per dag aanhoren elke keer dat de trolley weer langs hun huis rijdt, haha.
De laatste dan: "Here is a natural food market. I used to always eat only natural food, until they told me the majority of people die of natural causes".

Monique wil met dit weer niet varen, liever nog wat dagen met de auto touren
Maandag is weer een mooie dag met een zwakke tot matige ZW wind. Compromis: nog een paar dagen Saco in en donderdag een paar dagen naar de White Mountains voor ze weer naar huis vliegt (so soon!).

We zeilen 13M naar Pott's Harbor waar een vriendelijke young Lady in the Launch ons naar een mooring van de Dolphin Marina leidt en ons dringend aanraadt in The Dolphin Restaurant te gaan eten, "their food is really good!" Dat doen we dan maar, the food is OK, het uitzicht over een serie in de verte vervagende eilandjes in de ondergaande zon prachtig. 
Iemand in Kittery zei me beslist naar The Basin, iets voorbij Sebasco, te gaan. "No houses, all surrounded by woods, like a prehistoric place!"
Daar zijn we nog maar 10M vandaan, dus dat doen we. De vaarrichting Downeast is ONO, de landtongen met eilanden en de wateren ertussen lopen daar haaks op. Dus is het een heel gezigzag om in diep water van de ene rivier/inham in de volgende te komen. 
Om in The Basin te komen ga je vanaf de New Meadows River een smal vaartje in dat vol kreeftendobbers ligt. En dan opent zich een meertje, vol met nog meer kreeftendobbers, drie zeilboten voor anker en bomen rondom. Geheel huisloos is het niet, maar op een na staan er wat in de bomen en die zien we pas 's avonds als ze licht aandoen.

Woensdag is een dag van dikke regen. Jewell Island, ook met mooi ankerbaaitje volgens mijn vaargidsen, schiet er bij in, we blijven liggen. Water onder de boot is nuttig, zoveel water erboven niet leuk. Lekker een dag niets doen en geen internet (dus wordt het lezen, muziek, rummicub, sudoku, koken, cocktails, eten).
Donderdag is weer mooi, we gaan vroeg weg want om drie uur moeten we op Portland International AirPort een auto ophalen. De wind staat pal tegen, helaas ruim 20M op de motor. 
En nu zijn we in North Conway in de White Mountains van New Hampshire waar we, op de bonnefooi (4th of July!) nog een motel met vacancy vonden. Al behoorlijk veramerikaniseerd rijden we vervolgens 40 mijl (65 km) om een drankje en hapje te doen in de Woodstock Inn and Brewery, zo langzamerhand onze stamkroeg in deze contreien, en weer terug.

(Overigens, bejaarde hippies: dit is niet Woodstock van Woodstock, dat ligt up-state New York. Er zijn geloof ik zeven Woodstocks in de VS. En wie weet waar het Engelse Woodstock ligt?). En weer 40 mijl terug. Over de Mangamagus Highway, dwars door het White Mountains State Park. Bergen, bossen, snelstromende rivieren, wijdse uitzichten, we hebben deze weg in de loop der jaren vele malen gereden, in de zomer en de herfst, en hij blijft oh zo mooi.
MOOSE CROSSING waarschuwen borden. En jawel, we zien een moose vredig grazen langs de kant van de weg.

En wij niet alleen!

Straks vliegt Monique naar huis en neem ik voorlopig afscheid van de VS. Met Martin steek ik over naar Nova Scotia, 180M.

zaterdag 27 juni 2015

Monique is er, en we varen!

Monique is er, en we varen! 
 De vuurtoren van Kittery, de eerste langs de lange kust van Maine

Vorig weekeinde heeft Martin me in de mast gehesen en geduldig drie uur eronder doorgebracht terwijl ik een nieuwe radar monteerde (de vorige ligt alweer twee jaar aan de vorige mast 330M uit de kust van North Carolina op de bodem van de oceaan). 
"Geen radar, dan niet zeilen in Maine" vond Monique want langs de kust van Maine wil het nog wel eens misten. If the incentive to develop radar hadn't been war, it probably would have been the Maine coast, zegt een van mijn pilotsNu zit hij er dus weer op. 
De dag na haar aankomst met de dinghy met Monique naar Selena. Na twee maanden denken over looprekken, rolstoelen en trapliften klimt Monique aan boord en na een kop koffie weer van boord. Een mirakel. We gaan voorzichtig verder down-east (dwz noordoost, down de dominerende ZW wind). Met meer dan 6000 eilanden en met alle inhammen en riviermondingen meer dan 5000M kustlijn, rotsen, op ieder stukje open water honderden lobster buoys een uitdaging. Wij zijn one of the happy few (hoewel dat er nog behoorlijk wat zijn) die hier mogen zeilen, lees ik ook.
Het is (nog?) niet echt warm hier zoals we van vorig jaar gewend waren, 15C 's nachts, 20C overdag (in Oriental is het nu 40C hoorden we); alleen in de volle zon en uit de wind kan het even heet zijn. Het weer is ook tamelijk veranderlijk, je gaat varen met wind uit zuid en twee uur later draait hij in een paar minuten naar noord. Af en toe regent het. Piepklein leed.

Na een bezoek aan vrienden, verhuisd van Oriental naar Melvin Village aan Lake Winnipesaukee, gaan we, na schandelijk misbruik te hebben gemaakt van M&K's gastvrijheid, eindelijk aan boord. 
We gaan van onze mooring, maar komen niet verder dan een mijl verderop in Kittery in Pepperell's Cove. Een dag later lukt het om naar York te komen, 10M verderop, lekker langzaam in zonnetje en dwarrelwind. De haven is meteen na de monding van de York River, na een scherpe bocht waar de stroom bij springtij tot een knoop of vijf kan doorstaan. Ankeren mag niet, maar er is een mooring voor ons. 
Hoewel we al een aantal keren met de auto door York gereden zijn, is met de boot aankomen een andere ervaring. We blijven twee dagen, de eerste omdat het hard waait en regent, de tweede omdat het stralend weer is.
Als stadje is York bijna zo oud als Kittery, beide zijn van het begin van de 17e eeuw.  
Ook hier weer een - zij het indirecte - link met het vaderland: in 1692 werd het stadje platgebrand door indianen die in King William's War aan de Franse kant meevochten. William is onze koning-stadhouder die als koning van Engeland hier strijd leverde tegen de Fransen in het noorden. Er werden zo'n 100 mensen vermoord en 80 meegenomen naar Canada om daar als slaaf te worden verkocht, vermeld een bord. 
Dat maakt je weer blij: het waren gelukkig niet alleen de Nederlanders die in slaven handelden. Nu is het een dure plaats, met een aantal prachtige 18e en 19e eeuwse huizen. En er zijn twee stranden, Short Beach en Long Beach, waar mensen in het ijskoude water duiken.

We slaan Kennebunkport over. Niet omdat de Bush-clan daar een buitenhuis heeft, maar omdat het er smal, druk en duur is. We zeilen door naar Woods Island voor Biddefort Pool waar het wijds, stil en goedkoop is. Het tijverschil bedraagt hier intussen 3m. Bij hoogwater zijn er wat eilandjes om ons heen, bij laagwater zijn het schiereilandjes met strand verbonden aan de kust.
Voor de liefhebbers van Hopper: de vuurtoren van Portland vanaf het water

En nu zijn we dan in Portland ME, in een marina met een bar-restaurant op een oude pont, voor het levendige centrum met winkeltjes, kroegen en muziek. Dit is het begin van de spannende kust van Maine met zijn diepe inhammen, landtongen, eilanden, vuurtorens. Als het weer meezit kan Monique er nog iets van proeven voor ze weer naar huis vliegt.

 Monique: 

Aankomst dinsdag 16 juni Boston Logan. Lange rij voor Customs ivm slechts twee loketten open van de 12. De vaart waarmee de CBP (Custom and Border Protection)-mannen passagiers doorlaten doet me denken aan toen ik twee jaar geleden in Washington aankwam en er stipheidsacties plaatsvonden omdat men het niet eens was met ontslagplannen vanwege automatisering. Op bordjes staat dat CPB iedereen welkom heet en dat ze hun best doen ons zo snel en prettig mogelijk door de controle te voeren. De praktijk is het tegenovergestelde, qua snelheid en vriendelijkheid, en ik voel hatelijke opmerkingen in me opkomen voor als ik straks oog in oog met de douanier zal staan. Ik ben natuurlijk wijzer en houd mijn klep.
Tegen 13 uur begon de rij voor de CBP en om 14.15 ben ik eindelijk aan de beurt.
Mijn reistas draait inmiddels al een uur rondjes dus die heb ik zo te pakken.
En dan, eindelijk door de schuifdeuren, kijken of ik Bas zie. Hij ziet mij eerder en zwaait.
Blij elkaar weer te zien en voelen.
Bas logeert inmiddels al een paar dagen bij Martin en Kyle in Kittery (Maine) en heeft, niet wetend hoe de staat van mijn rug zou zijn, Selena tot vrijdag aan een mooring gereserveerd in Kittery Harbor Yacht Yard.

Mijn rug, voor alle duidelijkheid, heeft mij sinds 4 april akelige tijden bezorgd; eerst met 3 weken spit die daarna naadloos overging in het opnieuw opspelen van een ruggenmergbeschadiging. Kort en goed, ik was kreupel en onthand, durfde niet meer te rekenen op enig herstel en had Bas al meegedeeld dat de kans dat ik überhaupt kon komen zeer klein was. Dat, gelukkig, viel mee. De laatste twee weken voor vertrek ging het per dag een stukje beter, heb ik de medicijnen (waarvoor ik een drugsverklaring moest hebben om in te kunnen klaren!..... waar overigens niemand bij CBP verder naar informeerde... ) langzaam afgebouwd en gaat bewegen nu redelijk hoewel lopen en staan en sommige bewegingen pijnlijk blijven.

De dagen bij M en K brengen we heel rustig door. We kunnen steeds een van de auto’s lenen, maken korte tochtjes en doen bood(/t)schappen.

Vrijdag op zaterdag naar Ray en Peggy, “oude” vrienden uit Oriental NC (zie blog zomer 2013). Vorig jaar zijn we ze nog daar gaan opzoeken maar verder dacht ik niet ze ooit nog te zien omdat ik niet verwachtte ooit nog in die contreien te verblijven. Maar verrassing, sinds afgelopen winter hebben ze een huis gekocht in Melvin Village aan Lake Winnipesaukee in New Hampshire. Via mooie wegen een rit van een uur of twee van Kittery vandaan. We zoeken contact en worden prompt uitgenodigd zeker langs te komen en ook te blijven slapen. Da’s wel zo prettig en verstandig gezien de snel- en hoeveelheid waarmee bij Peggy en Ray drankjes worden ingeschonken.
P en R hebben een oude “general store” (uit 1814) gekocht voor nog geen twee ton (en dat is ter plekke een schijntje. Het huis stond al 5 jaar te koop en prijs werd steeds verlaagd). Het pand is in orde en/maar nog in oorspronkelijke staat dwz enorm maar in allerlei kleine ruimtetjes opgedeeld. Ray, die ervan houdt een “project” om handen te hebben kan er zijn hart aan ophalen en heeft al diverse tussenwandjes gesloopt. Achteraan het huis een mooie oude schuur met op de vloer heel brede, oude planken waarvan de makelaar ze vertelde dat als ze die ooit zouden verkopen ze daaraan alleen al een ton zouden verdienen. Maar dat zijn ze niet van plan.

Naast het huis stroomt een beekje dat achter het huis van een kunstmatige dam, ooit met een watermolen, naar beneden watervalt vanuit een mooie grote vijver (die weer afkomstig is van een riviertje vanuit de Ossipee Mountains). Als we ’s middags aan de vijver zitten (met prachtige wilde, blauwe lissen en diverse mooie wilde veldbloemen) zien we eerst een, en daarna twee otters zwemmen. De eerste durft redelijk dichtbij te komen en taait dan met een gerust hart af naar het klaarblijkelijke nest dat ze aan de overkant hebben, ook nog op het grondgebied van P en R. Als het borreltijd is en de glazen boordevol geschonken zijn stellen P en R voor om naar de naast het huis, maar hoger, gelegen grote lap grond te rijden (!). Hoewel mijn rug dat heel prettig vindt verbazen wij ons hier toch wel over. Peggy, ik met ieder een glas in de hand en de hond Bisquit nemen de auto; Bas en Ray gaan in zijn motor met zijspan, ook met ieder een bel whisky in de hand. 
We crossen het veld over van waaruit je een prachtig uitzicht hebt over het meer aan de andere kant van de weg (dankzij overburen die dat uitzicht niet hebben laten dichtgroeien). Daarna worden wij, nog steeds met een hand aan het glas en een hand aan het stuur, in slakkengang rond gereden in de buurt zodat we zien waar het riviertje de vijver in stroomt, waar de Ossipee Mountains zijn, en hoe mooi het hier is.
Vanuit hun achtertuintje kijkt vanaf de rotsige helling een knabbel- en babbelbeestje ons lief aan met zijn bruine kraaloogjes; boven op het veld staat bij een oud houten schuurtje een bijzondere plant: “Jack in the pullpit” een soort Aaronskelk waarbij, als je zijn “capuchon” optilt een prachtig tijgergestreepte binnenkant zichtbaar wordt met daarin een grote zwarte stamper (Jack). Zeldzaam, dus de vorige eigenaresse heeft ze op het hart gedrukt er zuinig op te zijn; terecht.
We hebben een genoegelijke avond en gaan ondanks protest van Ray na het ontbijt (“Bahs, now you have to do some bush hauwkin’!” weer langzaam terug naar Kittery.
Niet ver van R en P’s huis komen we op de terugweg langs Castle in the Cloud. Een villa hoog op een bergtop, gebouwd in begin 20e eeuw door een rijk geworden schoenenfabrikant (Thomas Plant) met allerlei vernuftige details zoals een centraal stofzuigersysteem, telefoons (je weet wel, die aan de wand hangen met een vast toetertje voor je oor en een toeterte aan een draadje om in te praten) in iedere kamer, “needle” douches waarbij van alle kanten water tegen je lichaam gespoten werd, centrale verwarming, etc. etc.
De bergtop waarop deze villa staat is er een van de Ossipee Mountains; een geimplodeerde vulkaan (1 van 3  kenmerken voor NASA vanuit de ruimte), met uitzicht over Lake Winnipesaukee met al haar eilandjes.

De schoenenfabrikant ging de boot in door foute beleggingen, kon tot zijn dood rond 1941 dankzij financiele hulp van een vriend zijn hoofd boven water houden, maar na zijn dood moest alles worden verkocht. Het werd gekocht door de Castle Preservation Society en het is daaraan te danken dat het huis sindsdien niet aan modernisering onderhevig is geweest en nog steeds in dezelfde staat bevindt.

Pas zondag vertrokken naar Selena, na hartelijk afscheid van Martin en Kyle.
In stromende regen met rubberbootje (waarvan bb-motor het doet, zij het met wat gebruiksaanwijzing) naar Selena getufd.
Het is nu maandag 22 juni en we zijn vanmorgen wakker geworden aan een ankerbal in Pepperrell Cove, pakweg 1 mijl verderop dan waarvan we gisteren vertrokken. We hadden het plan om naar Smutty Nose (een van de Isles of Shoals) te zeilen, maar eenmaal uit de baai zagen we een dik pak mist voor ons, hield het beetje zon er mee op en werd het koud. Vandaar dus maar rechtsomkeert gemaakt.
Temperaturen zijn hier nog niet echt warm, zo’n beetje hetzelfde als in Nederland.

Zaterdag 27 juni
Gisterenmiddag aangekomen in Portland (Maine) en liggen daar nu aan een steiger bij DiMillo’s Marina in het oude centrum van deze stad.
Maandag vanuit Pepperrell Cove zeilden we 10 mijl naar York en zijn daar twee dagen blijven liggen. Donderdag naar Biddeford Pool, 25 mijl, voor een nachtje.
Tot nog toe hebben we, op die eerste zondag na, eigenlijk heel behoorlijk weer gehad.
Zeilen ging gisteren niet, pal tegen, dus hele weg (15 mijl) gemotord over redelijk rustige zee (behalve rond Cape Elizabeth voor Portland); wel veel kreeftendobbers om in de gaten te houden!
Bas verkent steeds de wal en de leuke plekjes zodat we regelrecht voor lunch of diner ergens naartoe kunnen lopen. Ik lees veel en ben veelvuldig aan het, om met Reina te spreken, “stekkeren” (facebook, whatsapp, wordfeud, killersudoku, digitale krant, etc.)
Inmiddels hebben we ons alweer twee keer tegoed gedaan aan versgekookte kreeft, lobster rolls en “steamers” (lang zo lekker niet als clams!)


woensdag 17 juni 2015

Foto's!!

 Ingang Cape Cod Canal - westkant, met model van de Tower Bridge

 Provincetown met Pilgrim Monument
 Massachusetts Bay over, op de achtergrond Boston

 "Het Paard" van Gloucester


 Gloucester vanaf mijn mooring

Ftiz Henry Lane - Somers Cove, Deer Isle. Hier wil ik (ook) heen


 Veel beter dan in net gevangen vis is line caught fish, en nog weer veel beter is speared fish. 
Dus hebben veel vissersbootjes nu een harpoen-boegspriet

 Het Sleeper-McCann House

 Rockport harbor
Rockport: Object #1: het meest gefotografeerde gebouw in Rockport. 
... in de hele VS! zeggen ze hier

maandag 15 juni 2015

Maine at last


Iedere zeiler "kent" Gloucester. Het was de thuishaven van de Andrea Gail die verging in The Perfect Storm. Er is geen toeristisch ding van gemaakt hier. In het Cape Ann Museum is in de afdeling over visserij een model van de boot te zien, maar dat is alles. Een groot deel  van het museum is gevuld met schilderijen van F.H.Lane, op een enkele na allemaal panorama's van Gloucester Harbor in de periode 1840-1860. De haventafrelen heel precies, licht en lucht neigend naar impressionisme. Jammer dat hij nooit de verre wereld is ingegaan om van Franse collega's af te kijken. 
Een ander museum dat ik bezoek is het wonderlijke Sleeper-McCann House. 
Meneer Sleeper was een interior designer in de jaren '20 van de vorige eeuw en bouwde een huis om te laten zien wat hij alniet vermocht. Alle kamers, bijna alle klein en donker, zijn in een andere stijl en hebben een eigen thema en terugkijkend in de geschiedenis, niets vernieuwends, geen art deco of modernismen. De keuken is van de eerste settlers, hij gaf er thanksgiving diners, met alle gasten verkleed als Pilgrims en indianen. Een bijna zwarte gelagkamer uit een17e eeuwse herberg, een Lord Byron room, een Lord Nelson room, een Oosterse kamer. Een paar vertrekken kijken uit over de outer harbor en zijn licht. Sleeper was er succesvol mee, kreeg opdrachten van miljonairs en gebruikte zijn inkomsten om meer kamers aan te bouwen zodat het huis aan de buitenkant lijkt op een Efteling-bouwwerk. Na zijn overlijden, hij was gay en kinderloos, wilde zijn broer het huis - met hoge schulden erop - niet  hebben. "Then a private yacht sailed into the harbor, the wife on board saw the house and said: I want to have it. She was married to a McCann and a daughter of the Woolworth-family, so probably she got everything she wanted." Dus werd het het McCann House. Leuk om te bezoeken, maar er wonen, nee. 
"I sailed into Goucester on my private yacht, but I don't think I'll buy the house" zeg ik na de rondleiding tegen mijn gids. Hahaha. 

Aan de andere kant van de outer harbor staan, toch wel opvallende bij het aanvaren hier, twee middeleeuwse kasteelruines, gebouwd door een uitvinder in de jaren '30 van de vorige eeuw, waarvan één open is voor het publiek. Ik laat dat kasteel maar voor wat het is. Bij een hoppig biertje in de local brewery plan ik mijn volgende tochtje. Ik houd het ruustig, het wordt Rockport, aan de NO-kant van Cape Ann, 3M over de weg, 11M om eilandjes en rotsen heen over het water .

Rockport is een prachtig stadje, met oude houten New England huizen om een klein haventje, met ruimte voor een paar jachten en iets meer lobster boats. Het is wel heeeel toeristisch en met veel kunstenaars en galleries - en een concertzaal met achter het podium een grote glazen wand waardoor het publiek achter de musici de oceaan ziet. Ik heb net YoYoMa gemist, zie ik op het bord met het zomerprogramma. 
Ik word warm ontvangen in de Sandy Bay YC, wow, een zeiler uit Holland, in that boat? De club hangt vol met burghies, maar er mist een Nederlandse. Ik laat mijn Toerzeilerswimpel achter.
Het waait hard, 5 met gusts 7bf wat me binnen doet blijven, zelfs al is de wind mee. Als de voorspelling 4-6 is ga ik verder.

Voor de kust van New Hampshire liggen de Isles of Shoals waar ik eigelijk een nachtje wil ankeren, maar met veel wind en deining en een rotsige bodem (waarin het anker slecht houdt) is dat niet zo'n goed idee. Ik zeil door naar Kittery, Maine waar de boot nu aan een mooring ligt en ik al dagen in een heerlijk bed slaap bij Martin & Kyle thuis. 
Op zaterdagmiddag doen we een poging om naar Smuttynose, een van de Isles of Shoals te varen, maar de wind is zwak en tegen, dus we varen erlangs en komen 's avonds rozig van zon, beetje wind en water weer thuis. 

Monique heeft bericht van de neuroloog over haar rug. Geen opereren. 
Ze komt dinsdag dus wel over voor drie weken vakantie. Varen, rijden, niksen, we zullen wel zien.

(wordt vervolgd)

maandag 8 juni 2015

Prutweer in Provincetown


7 juni
Het weer in Provincetown hielp, bij een fikse verkoudheid, niet mee. Na 13 uur koortsig slapen toch maar naar de kant geroeid en, lekker warm, naar het Pilgrim-monument en -museum. Het monument is 1907-1910 gebouwd, een ruim 70m hoge granietstenen toren, gemodelleerd naar de - 14e eeuwse - klokkentoren in Sienna. Ik beklim de 116 treden en waai er boven bijkans vanaf. Het uitzicht is ver, maar zonder zon, tja, bar. De haven, duinen, alles grauw en grijs. Misschien ook wel een beetje omdat ik me zo voel.
Het museum bij de toren geeft wat geschiedenis over de drie maanden van de kolonisten hier en over de walvisjacht die Ptown rijk maakte in de 19e eeuw. 
First kill, then cuddle, denk ik, alles bekijkend. Een sub-afdeling laat zien wat voor leuke dingen de Native Americans allemaal deden voor ze bezweken aan Europese ziektes en drank. En er wordt breed uitgemeten wat er allemaal aan de eerst bijna uitgeroeide lokale right whales gedaan wordt. Maar goed, mijn blik is grauw en grijs. 
Een ander aspect van Ptown is dat er begin vorige eeuw schilders neerstreken, doek en palet onder de arm om buiten te schilderen, net als ruime tijd eerder in Europa. Die schilders brachten vrienden mee, acteurs, schrijvers, dansers. Zo werd Ptown een soort vrijstaat in de puriteinse wereld van New England. Een leuke dame van mijn leeftijd vertelde trots over de drag queens en de vele same-sex stellen hier. Maar als het onder de 10grC is en het regent, is daar niet veel aan te beleven. Zelfs een biertje, hoewel de bardame me als sweetheart blijft aanspreken, smaakt me niet.

Langer zompen in Ptown is ook geen optie, ik ga van mijn mooring en zeil naar Scituate (Si-tjoe-it), onder Boston. Het wordt warm zowaar, trui uit, lange broek wordt kort. Het is een stranddorp in een baai. Flubberige meisjes in bikini en stakige jongens  die om ze heen draaien, het is opeens even zomer. Ik voel me beter, neem het ervan: oesters, clams, oesters op zijn Portugees.
Het stikt hier van de Portugezen, net als in Fall River, New Bedford en Provincetown in de hoogtijdagen van de walvisvaart hier neergestreken. Overal in de VS heeft men patriottisch zijn Amerikaanse vlag wapperen. Alleen in Ptown zag ik meer Portugese vlaggen dan de Stars and Stripes

Next stop is Gloucester. Met drie knopen zeil ik, het is nog steeds zomer, Massachusetts Bay over. Over bakboord tekent de skyline van Boston zich af.
Boston Harbor, een van de grote havens van de oostkust zou je denken. Een maand geleden voor Rotterdam de Maasmond/Nieuwe Waterweg over: een file van containerschepen een tankers in en uit. De aanloop voor Boston: niets, helemaal niets, niet één schip naar binnen of naar buiten. 
Als ik eindelijk de buitenhaven, eigenlijk baai, van Gloucester indobber, is de harbormaster al naar huis. Ik laat het anker vallen achter de breakwater. Een mijl verder zie ik een soort hobbithuis en aan de overkant twee kasteelruines zoals je die in Ierland ziet. Ik zet een wekker en het GPS-drift-alarm, om te constateren dat het anker houdt.
De volgende ochtend 2M verder naar de Inner Harbor aan een mooring, slaapt toch ontspannener.  

Nu moet ik gaan varen. Meer over Gloucester en Rockport een volgende post. 

maandag 1 juni 2015

Mei 2015: Weer op weg!



Soms vraag ik me af: waar ben ik aan begonnen. Vandaag is zo'n moment, aan een mooring in Provincetown op het puntje van Cape Cod, in snotty weather: harde wind en regen, koud. 
Gisteren zat ik tevreden in de kuip met een IPA, na weer een kanaal te zijn doorgevaren. Na het Noordzeekanaal en het Kanaal door Walcheren waren er het Dismall Swamp Canal, het Chesapeake-Delaware Canal en het Cape May Canal. En nu ben ik door het Cape Cod Canal gevaren. 
Als je over de passage van het Cape Cod Canal leest, gaat dat over van oost naar west (dwz als je van noord naar zuid wilt). 6kn stroom, overfalls, korte golven van 2m die alles van dek spoelen en van de kajuit een grabbelton maken. De heersende wind is hier ZW en die stuwt het water op in Buzzards Bay, die doodloopt, op de ingang van het kanaal na. Dus als je daar met stroom tegen wind het kanaal uitkomt, is het feest. 
Van west naar oost, om van het zuiden naar Maine te gaan, is een eitje. Met de motor op minimum toeren ga je met 8 knopen het kanaal door en komt aan de hoge wal uit.

De ZW wind die hier dominant is, is koud, heel koud nog. De warme Golfstroom buigt bij Virginia af naar Europa. Noordelijker staat er een tegenstroom met water uit de koude wateren bij Labrador en Groenland. Dus hoewel de wind zuidwest is, is hij koud. 
Ruim een week geleden klom ik in Fairhaven weer op Selena. Als eerste deed ik de kachel aan - die deed het gelukkig. Afwisselend sliep ik aan boord en bij de Biddles in Fall River en knutselde en schilderde wat. Wegens de strenge winter - 2 meter sneeuw - waren ze achterop met boten te water laten. De hele week waaide het 25kn uit ZW en was het zoals gezegd koud, geen weer om te beginnen met varen: de eerste dag moet met zonnetje en windkracht 3 zijn. Echte haast had ik dus niet.
Afgelopen donderdag dan toch eindelijk te water - en vrijdag was zo'n perfecte begindag. Met wind en tij mee in de middag in korte broek in het zonnetje naar Onset aan de westkant van het kanaal. Dinghy opgepompt, biertje en een pizza (=voor drie dagen eten) in het dorp gehaald en daarna achter een ankerbal lekker wiegend slapen. 

Zaterdagochtend was er mist en 's middags, ondanks vlagerige wind van 20-25kn, was de mist er nog steeds, als een soort met de wind meegevoerde rook. Toch maar vertrokken in de middag - met de stroom mee het kanaal in - maar omdat 25kn veel wind is, zelfs als die meestaat, gestopt aan de oostkant van het kanaal = noordkant van Cape Cod dus, in het piepkleine haventje van Sandwich. Om elf uur wil ik net te kooi gaan, als er een hoop geroep, motorgeronk en een klap tegen Selena is. Ik schiet omhoog. Een zeiljacht, ongeveer maat Selena, probeerde naast me af te meren, maar vaart "I'm sorry!" roepend hard alweer achteruit. Uiteindelijk waait het jacht in een box verderop en blijft daar maar. Een half uur later, ik wil weer te kooi gaan, klopt de brokkenschipper aan. Very sorry, 50M tegen de wind opgebokst, exhausted, als er schade is moet ik het laten weten. Ik zie geen schade (de volgende ochtend ook niet): de stootrand heeft gedaan waarvoor hij is. 

De wind is zondagochtend iets - maar niet veel - minder. Ik fiets naar en een stukje door het dorp Sandwich, mooie New England-huizen in veel groen, maar niet om te blijven. 
Om half tien vaar ik de laatste mijl van het kanaal uit, koers NO met ZW 20kn wind achter naar Provincetown. 6kn op 3/4 genua, met Seleentje sturend. Door een beschermd walvisgebied - van right whales - maar ik zie er niet een. De wind neemt wat af, de genua gaat helemaal uit, de wind trekt weer en de genua gaat weer een stuk in. In de loop van de middag gaat de wind naar noord, is de forecast. Daar komt een small craft warning bij: buien met 30kn wind en mogelijk regen. Het plan om bij het strand te ankeren, laat ik maar varen. Maar goed ook, zoals gezegd: het weer is snotty.
Morgen ga ik toerist doen. Tussen de vele hier: "Ptown" is een soort Volendam.
De Engelse Pilgrims, na een kleine 10 jaar in Leiden te hebben geleefd, kwamen hier in het najaar va 1620 aan met de Mayflower. Na een paar weken staken ze de baai over en stichtten in Plymouth de eerste kolonie van New England, ongeveer gelijk met Nieuw Amsterdam in Nieuw Nederland. Wat me bij Peter Stuyvesant brengt. Die hebben we gevonden, voorvorig jaar (de wereld van) op de BVI en vorig jaar in New York. 
Nu verder in Nieuw England en Nieuw Schotland.