woensdag 9 april 2014

zoutwaterhallucinatie

Even terugkomend op een enerverend jaar:
Toen ik twee weken op de oceaan was, dacht ik op een avond dat Seleentje naar mij lonkte, naar mij knipoogde. “Zoutwaterwaanzin, nu al” dacht ik, “met nog maar een week te gaan”.
Ik was evenwel nog niet zo aangedaan dat ik niet mijn cameraatje kon pakken.
En zie: het was geen zoutwaterhallucinatie, HET WAS ECHT ZO!
Laurens: je hebt een mirakel geschilderd.


Over een kleine twee weken ga ik haar weer opzoeken. Monique komt een maand later en dan gaan we nog eens proberen noordwaarts te komen ...

vrijdag 11 oktober 2013

De laatste mijlen - en dan een half jaar rust voor Selena


Het water in het Great Dismal Swamp Canal is 8 ft hoger dan ervoor en erna, we moeten er via een sluis in (en aan het eind via een sluis eruit). De sluismeester geeft via de marifoon uitgebreide instructies over het binnenvaren en afmeren. Als we vastliggen vraagt hij: “You wanna hear the whole story?” Natuurlijk willen we dat. We liggen een half uur in de sluis terwijl hij met enthousiasme over “zijn” swamp vertelt. Voor de volgende lichting heeft hij even geen tijd.
De Dismal Swamp is gevreesd en bejubeld geweest. Een moeras met giftige slangen, stekende yellow flies en muskieten, waar je nooit meer uitkomt. Vergeven met boze geesten. Vogels zouden er niet over willen vliegen. “Zonder ophouden stijgen smerige dampen op die de lucht verpesten waardoor je er niet kunt ademen” (aldus William Byrd in 1728). 
Een paradijs voor flora en fauna die ongestoord hun gang konden gaan. Een plek voor gevluchte slaven. In de 18e en 19e eeuw een bron van goed hout. Een uitdaging voor waterbouwkundigen om er een kanaal doorheen te graven om het hout weg te krijgen.
George Washington was aandeelhouder en president van de Adventurers for Draining the Great Dismal Swamp, de onderneming die het begon te ontbossen om er daarna plantages op te kunnen stichten en die het kanaal begon te graven. Plantages lukte niet, het was en bleef veel te drassig: eens een swamp, altijd een swamp. Het kanaal kostte een kleine vijftig jaar voor het af was.
In het Halfway House, een hotel aan het kanaal precies gebouwd op de State line tussen Virginia en North Carolina, werd getrouwd (in de 19e eeuw waren de zeden en wetten in NC wat losser dan in VA), zaten gezochte misdadigers (staten waren nog onafhankelijker dan nu en leverden geen outlaws uit, in een kamer aan de andere kant van de State line was je veilig), werd geduelleerd (verboden in beide staten, maar aan het eind van het duel was er een lijk aan de ene kant en de dader, ongrijpbaar, aan de andere kant van de state line). Edgar Allan Poe schreef er “The Raven”. Helaas, het Halfway House is niet meer.
Wel het kanaalwachtershuisje, zij het in a very dismal state. Iets verder is er tot onze verbazing een landing voor de Swamp Commander. Commanding a swamp???

In 1950 was de Swamp geheel van zijn bomen ontdaan en schonk de lumber company het aan de Staat North Carolina. Die verklaarde het tot State Park en deed er – met opzet – niets aan. 60 jaar later is het, zoals al gezegd, weer een flora- en faunaparadijs. Met beren, tomcats, allerlei klein grut, velerlei vogels, tientallen vlinders in een dichte bebossing.
We varen door een recht, smal water, met overhangende bomen die buigen onder de vines. Het voorjaar is de tijd van de vlinders, juli en augustus van de gele steekvliegen (“you don’t want to be here then”) en het najaar van de duck weed, kroost dat een decimeter dik kan worden.
We meren af aan de steiger van het Information Center – een populaire stop in het kanaal, er liggen al zeven boten, voor het eerst dat ik ze zie “stapelen” in de VS – en maken de volgende ochtend een wandeling(etje) door het woud. Prachtig.

Na de sluis aan de andere kant, South Mill, komt het kanaal in de Pasquotank River (pronounce pus-KOH-tank).
Was het Dismal Swamp Canal prachtig, de rivier is adembenemend, smal, slingerend door oeverbegroeiing van mangroven, 2 uur lang. Ik zie een levende raccoon (je ziet er genoeg plat langs de weg) langs de oever strunen. Uiteindelijk wordt de rivier breder en bereiken we Elizabeth City. Voor de brug biedt Jenette, een groothandel in krab, clams en oesters, een gratis ligplaats aan. Er ligt al een grote catamaran die we al bij het Visitors’ Center zagen, uit Aidelaide, Australie. De ligplaats heeft de voorwaarde dat je in een local restaurant gaat eten. Dat doen we graag, maar de keuze is beperkt. Als we dan eindelijk in Groupers, met Harbor View, neerstrijken, zijn de clams helaas op, de oesters evenzeer, en is cole slaw, jammer, net op. De tonijn-steak is er en goed, gelukkig.

We raken door de voorraden heen. Food Lion is 2 StM verderop. Het toeristenburo heeft fietsen te leen. De toeristendame wenst ons “goede morgen”: ze heeft een paar jaar in Rotterdam gewoond. Maar ze zou nooit permanent in Europa kunnen wonen, met al die verschillende talen. Heen is gemakkelijk fietsen, met zware tassen op het stuur en de schouder wat moeilijker. Als we terug zijn en de boodschappen wegstouwen en daarbij een kop koffie drinken, staat de Australische dame van de catamaran bij de boot. Leuk, ik begin een praatje, nodig haar aan boord, maar het is haar om onze fietsen te doen, ze wil ook naar de Food Lion. Ik krijg er wel uit dat ze via Europa gekomen zijn, daar een paar jaar zijn gebleven, maar ja, je kunt er maar varen van april tot november, toen naar de VS zijn overgestoken, maar ja, een half jaar leef je hier in angst en spanning of er geen hurricane overkomt. Ze wil weer terug: op het zuidelijk halfrond heb je deze ongemakken allemaal niet.

We zakken verder de Pasquotank af. Stukje motoren bij geen wind, stukje zeilen als er een namiddagbriesje opsteekt, maar, kondigt Ton aan, wacht maar af, de wind sterft, de zon wat later. Wat ook gebeurt, zodat we in de laatste avondgloed, de zon is al ruim onder, tussen de krabbenvaldobbers een ankerplaats op Little River moeten zoeken. Als het anker omlaag gaat is het windstil en zie en hoor ik duizenden muggen op het water. Ze steken niet, gelukkig. Na een half uur steekt er een briesje op en waaien de muggen weg.

Het is intussen woensdag. Roanoke Island (van de Lost Colony, zie eerder blog) als target is geskipt: aan de westkant is het diep genoeg maar is de vaste brug 5 ft te laag voor mijn mast en aan de oostkant is de brug met 65 ft ruim hoog genoeg, maar is de vaargeul met 4ft een ft te ondiep. Dat scheelt de nodige mijlen, dus gaan ze ZEILEN vandaag, al staat er nauwelijks tot geen wind. 1,5 kn, hoi, boven de 2 kn, we gaan hard!. Zo doen we 8 uur over 15M (met daarbij ook nog wat motoren). Ankeren of douche? Het wordt het laatste, bij de Alligator River Marina.
Ton heeft ingemaakte Canadese haringen gekocht. Die hebben een etmaal geweekt en zouden nu smakelijk gebakken vissies moeten worden. Het wordt een tranig riekende brij. Als we bij het wegrestaurant aankomen zijn we net te laat, de keuken is dicht. We voeden ons met een ijsje, een scoop is een heel maal.

Ontbijt, douche, email, en weg. Geen wind, we motoren de Alligator River op, het Alligator River Pungo River Canal op/af en gaan voor anker meteen als we het kanaal uit zijn. Het was aan het zoemen al te horen, maar als ik met het deklicht aan het anker uitgooi zie ik ze ook: alweer grote hoeveelheden muggen, zo dik als kroost op het water. Maar ook deze steken nauwelijks en verdwijnen als het wat gaat waaien.
Na anker-op gaan we 5M door naar Belheven voor boodschappen, het brood is bijv. op. We lopen door Belhaven, je kunt er hardware, legal services, verzekeingen en bankzaken e.d. krijgen, maar geen groceries. We worden naar een steiger voorbij het centrum verwezen, vandaar slechts ¾ M lopen naar de Food Lion. Als we met boodschappen aan boord achteruit van de steiger wegwillen, loop ik vast in de modder, met intussen een frisse bries die me terugblaast. Tussen de palen van de steiger kunnen we Selena net keren en we ontsnappen uiteindelijk.
We motoren met wind tegen en te weing ruimte om fatsoenlijk te kruisen de Pungo River af, maar kunnen gelukkig zeilend de Pamlico River oversteken. Tegen de tijd dat voor anker gaan in Eastham Creek (in Goose Creek), om 18:45, op mijl 153 vanaf Norfolk, is de zon onder. Hij verdwijnt steeds vroeger!

Zaterdag 5 okt. alweer. Anker op, maar waarheen? Er is nauwelijks wind, Ocracoke op 45M kunnen we vergeten. De Pamlico Sound in kan ook niet als we voor donker ergens willen zijn. Het wordt Bath, 12M de Pamlico River op. We zeilen een stukje en gooien voor de lunch, de wind is toch geheel weg, het anker uit. Om half drie is de wind terug, uit het oosten, en zeilen we verder. De marina neemt de marifoon niet op, dus leggen we vast aan het State Dock. Welcome,  max 2 uur liggen, of, als je een formulier invult, max 72 uur. Bath is een plaatsje met 200 inwoners, de oudste town (1695, 20 inwoners) met de oudste (1735) nog dienstdoende kerk van North Carolina en wat mooie 18e eeuwse houten huizen. Mooi, stil, zeer goed onderhouden. Er is één restaurant (meer cafetaria) met veel Blackbeards en piratenschepen op de muren. De beroemde piraat had ook hier een tijdje zijn domicili.

Zondag worstelen we tegen een zwakke ZO wind in – het weer is zonnig en warm – terug naar Goose Creek en gaan daar weer voor anker. Maandag staat de ZO wind hard door – tegen, ik steek twee rifs – en komen er steeds meer wolken. We motorsailen een stuk de Bay River uit en maken voldoende hoogte om de laatste uren de Neuse River op te zeilen. Martie SMSt dat er slecht weer aankomt, zorg dat je binnen bent. Om vijf uur stuur ik omzichtig Whitacker Creek in, het water staat laag. Ik heb Selena’s komst aangekondigd op de VHF en John Deaton himself staat klaar om een lijn aan te pakken. “Welcome home!” zegt hij met een vriendelijke grijns. Selena (en ik) zijn, wat deze kant van de Atlantic betreft, inderdaad weer thuis.
“Pilsje in M&Ms?” belt Martie. Hij en Marie komen in twee auto’s en laten de rode BMW achter voor me.

’s Nachts begint het heel hard te regenen en bij vlagen te loeien en dat houdt niet meer op de eerste helft van de week. De steiger naast Selena komt steeds lager te liggen, downtown Oriental loopt onder. De temperatuur valt steil tot truien- en jassenweer. Ik doe zelfs de verwarming even aan. We waren inderdaad op tijd binnen.
Donderdag gaat Ton van boord, vrijdag staat Selena op de kant voor een half jaar verdiende rust. Na nog wat opruimen, zeilen bergen en bezoekjes in Oriental ga ik lekker naar Monique, dochters en kleinkind(eren).

Tot slot: Monique vroeg zich een aantal blogs terug af wat het nut van muggen is. Het antwoord vond ik in een boek uit een boaters’ book-exchange en komt van voor de Europese settlement, van de indianen die rond de Chesapeake Bay leefden: “When the Great Power Manitou finished laying down this river, perfect in details, he had added the mosquito to remind man that no paradise comes free.” Die indianen waren Calvinisten avant la lettre, zal Monique zeggen.

 
 



dinsdag 8 oktober 2013

wat plaatjes bij het verhaal


 City Dock Annapolis from the east
 
 City Dock Annapolis from the west


 Annapolis, bowsprit of skipjack over Selena
 
 Skipjack race on the Choptank River
 
Skipjack racing on the Choptank River

 Catching eel
 
... for the Eel Express
 
 Solomon's Island
 At anchor in creek off the Potomac River
 
 Fishing dolphins
 
 approaching Norfolk
 
leaving Norfolk


dinsdag 1 oktober 2013

Long time no blog


Annapolis is een prachtig oud  stadje  - waarom, zo vraag ik me af, is een stadje mooier als het oud is? Als je er bent, zul je het eens zijn: de City Dock loopt uit op deels houten 18e eeuwse huizen, bars en restaurants. En je kunt er, a raison van $88/n, ook liggen. Vlakbij een Skipjack die nu niet meer oesters oogst maar toeristen. Op 10 minuten lopen liggen het State House met witte koepel en de Naval Academy.
Er is een aantal grote jachthavens en er liggen heel veel schepen voor anker of achter ankerballen. Vanuit de City Dock varen de watertaxi en de poepboot die de zwartwatertank van jachten leegzuigt.
En, op 10 minuten rijden of een uur lopen, is Bacon Sails, een enorme 2ehandszeilen- en bootonderdelenhandel. Helaas, ze hebben geen Raymarine fluxgate compasje (die uit de Oriental consignment store is ermee opgehouden) of Furuno 1623 radarantenne. Maar zeilen te over. Voer de maten in op hun website en je krijgt te zien wat ze hebben liggen, en voor hoeveel.

We gaan terug naar Cambridge. Ik heb mijn hoed, onmisbaar tegen de zon, daar laten liggen en bovendien is er een Skipjack-race. We ankeren een mijl of 6 ervoor en varen de volgende ochtend – zonder te hinderen – door de race heen. Prachtig, grote brede 60cm stekende boten met midzwaard, hoge onverstaagde mast en giek die 2m achter de achterplecht komt. Zelf zonder motor, maar met klein duwertje dat achter de skipjack hangt (een piraatje gevuld met een dieselmotor, zeg maar).

De laatste twee genoemden worden de potentiele winnaar fataal: de boot gaat schuin in een windvlaag, de giek komt in het water, het grootzeil schept water, snel oploeven lukt niet vanwege het nu remmende duwertje en de boot gaat omver. Op een ontwrichte schouder en verlies van mobieltjes en fototoestellen na geen persoonlijke schade, maar ze moet wel weer overeind gelicht worden. De volgende ochtend horen we van de havendame dat daarvoor $10.000 betaald moest worden, “pure robbery” vindt ze. ’s Avonds lopen we langs het schip, ze heeft geluk gehad, alleen wat kapot berghout aan een kant.

Martie belt: hij rijdt door Cambridge, of we meewillen paling halen op Hoopers Island. Natuurlijk willen we dat. Op de Live Eels on Wheels rijden we door prachtig swamp landschap. De mensen hier wonen, onbedijkt, een voet (= 30cm) boven de Bay-spiegel. Als het water opgestuwd wordt staan hun huizen blank.

Na al deze opwinding gaan we, na wederom afscheid van Miriam en Willem, zondagochtend (22/9) vroeg op weg naar het zuiden. De Chesapeake Bay is groot, afstanden zijn veel groter dan op het IJsselmeer, dus voor dagafstanden is er niet zoveel keus. We gaan (ik terug) naar Solomon’s Island. Helaas, het is maandagavond en dan is hun voortreffelijke Dry Dock restaurant dicht.

 Na fietstocht rond het “eiland” en boodschappen bij Food Lion (“he, Delhaize!”, merkt Ton op bij het zien van het logo; inderdaad, mij nooit opgevallen, maar dat van de Belgische supers) verder zuidwaarts. We gaan een paar mijl de Potomac River op en ankeren in een idyllisch doodstil kreekje. De zon gaat doodstil onder, tegenover ons in een ander kreekje spiegelen twee ankerende bootjes. De zon komt stil rood weer op boven op het water hangene ochtendnevel. En dan, om acht uur, schalt er keihard uit onzichtbare luidsprekers het Amerikaanse volkslied en daarna een reveil. Achter het stille groen ligt een van de vele Airforce bases.

Wakker gaan we anker-op en de paar mijl Potomac af.
Helaas, er is geen wind, we motoren. Waarheen, is steeds een kwestie van rekenen. Er komen tal van rivieren de Bay in, en die hebben ankerplaatsen en marina’s. Maar die liggen soms meer of veel dan 5M naar binnen, die je dan ook weer naar buiten moet.

The next stop wordt Deltaville, aan de kant van de Piankatank River. Een slingerend geultje van nauwelijks een scheepslengte breed brengt ons er. De marina gaat net dicht, we liggen OK en kunnen fietsen pakken om naar het plaatsje te gaan. We belanden in een bar met sombere bar-dame, maar de deur erachter is een betamelijk restaurant.

De volgende dag krijgen we de auto mee om naar de super te gaan. We hebben een flinke afstand gefietst de avond tevoren, merken we als we het rijden.

Er staat wind, dienende wind! Verder zuidwaarts. Waypoint Poquoson (pronounce puh-KOH-sun) River ligt pal zuid, aan de Western Shore. Dat is plat voor het lapje, met de Cheaspeake deining erg wiebelig en gijpig en niet erg snel. Aantrekkelijk alternatief is ruim en hard naar Cape Charles aan Virginia’s Eastern shore. Dat maakt de laatste slag naar Hampton à Norfolk langer, maar het is lekker zeilen.

Vanuit Cape Charles is het de volgende dag, vrijdag 27/9 intussen, alsnog vier uur met wind Bf 4-5 achter rollend over steeds meer golf ZW naar Hampton. Als we eenmaal Point Old Comfort langs en “binnen” zijn, scheuren we met halve wind en het laatste stuk aan de wind langs rijen met grijze oorlogsschepen naar Norfolk. Om half zes zitten we bij Hooters achter een groot glas Loose Cannon (een zeer smakelijke IPA).

Zaterdag is een rustdag. We bekijken het Naval Museum – veel naval oorlogs-heroiek – en  wandelen naar het historic district Ghent, een soort Aerdenhout met gigantische villa’s, sommige uit de 19e eeuw. Op de weg terug belanden we in het General MacArthur Memorial. Ja, een mausoluem, maar vooral een fascinerende historische tentoonstelling over het leven van een fascinerende mannetjesputter, van kind aan de frontier die via de loopgraven van Vlaanderen tot overwinnaar van Japan en redder van Zuid-Korea. We lopen er twee uur rond. We eten in een heus (en goed) Italiaans restaurant, Sirena (pronounce See-ray-nah).

Dan (terug) de Intra Coastal Waterway op. Langs meer grijze oorlogsschepen, door hoge ijzeren spoorbruggen, nu de Old Intracoastal op, de Dismal Swamp in. Brrrrr.....

donderdag 19 september 2013

Oxford en Cambridge


`````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````
Oxford is een oud en mooi plaatsje. Ooit - in de 18e eeuw - een belangrijke haven. Maar er is geen zweem stedelijkheid te bekennen. Ruimte genoeg, de 18e en 19e eeuwse huizen die er nog zijn, staan in ruime tuinen, veel met een erfafscheiding - dat hebben we nog niet veel gezien, behalve heel nadrukkelijk op Tangier Island. We krijgen een fiets mee van de Mears Yacht Haven waar we na de onweersnacht naar verkassen en fietsen wat rond om de fietstocht te besluiten met een lunch op het terras van de oude Robert Morris Inn, met uitzicht op de pont die sinds 1683 mensen (nu met auto's) de Tred Avon River overzet. Het waait behoorlijk, Monique moet haar wijnglas goed vasthouden en deze keer waait de wijn echt uit haar glas. Het smaakt zo lekker dat we reserveren voor het diner.
Wat bijkans, met meer lekkers, nog beter is.

Wat is Oxford zonder Cambridge? Tegen twaalfen vertrekken we zaterdag voor 10M aan de overkant van de Choptank River. Het is prachtig weer, er staat een zwak bakstagwindje, en we zeilen er bijna  4 uur over. Het town Dock staat niet in de vaargidsen, maar ik heb local knowledge. Er liggen maar twee bootjes. We kunnen practisch voor Snappers Waterfront Cafe afmeren waar we wijn en bier (Dogfish Head 90) en wat hapjes nuttigen. Monique gaat te bed, ik ga het End-of Summer straatfeest onderzoeken. Veel mensen, hapjes, kunst, bier (o.a. van de nieuw geopende eigen Cambridge micro-brewery). In tegenstelling tot Oxford is Cambridge een echte stad met een centrum met straten van  tegen elkaar gebouwde stenen gebouwen. Wat verpauperd eind vorige eeuw zit het nu weer in de lift, er zijn in elk geval veel goed bezochte goede restaurants.

Zondag komen Willem en Miriam op de koffie, we lunchen, gaan mee naar huis, en slapen  twee nachten in een heerlijk groot bed zonder gezoem en geprik van muggen.

En dan moet Monique naar huis. Ik rijd haar en twee zware koffers met Miriam's auto naar Washington. Kussen, Monique door de incheck, ik weer naar de boot. Om half twee weg, om acht uur weer thuis, Loenen-Schiphol is korter in afstand en tijd.
Morgen komt Ton aan boord, ik doe de laatste verplaatsingen van zeilen, touwwerk etc om slaapruimte in de achterkajuit te scheppen. En ik merk dat ik mijn kostbare hoed in de auto heb laten liggen. Gelukkig is er zaterdag ook een skipjack race in Cambridge, twee goede redenen om terug te gaan.

Om half zeven smst Monique dat ze zonder brokken in Amsterdam is geland, ik sta op en constateer dat het KOUD is. Sinds tijden weer een lange broek aan! Om halfacht ga ik de Choptank op. Er staat wat wind maar niet veel. Het wordt snel warmer, de wind blijft gering. Om 11 uur verlaat ik de Chaptank River. Nog 23M te gaan, 2 knopen, helaas, motor aan. Het wordt niet anders, wat het een snelle overtocht maakt: om 15:30 maak ik vast in de City Dock Marina (a raison van $ 88) in het oude centrum van Annapolis.
38 58.8 N  76 29.1 W. Noordelijker ga ik niet dit jaar. Om 18:30  uur stapt Ton aan boord.

zaterdag 14 september 2013

van Tanger naar Solomons naar Oxford


Waar waren we ook alweer gebleven? Oh ja, Tangier Island. Als we binnenvaren lijkt de helft van de gebouwtjes in het water te staan. Dat blijkt te kloppen, bij hoog water staan veel schuren van de krabbenvissers net onder water (het tijverschil is nauwelijks 2 ft). De bewoning vindt iets hoger plaats zodat de bewoners droge voeten houden. Als we aan komen varen komt een oude man op een bromscooter de steiger opgereden en beschouwd ons.
“Can we dock here?” roept Monique vanaf het voordek. Geen reactie, de oude man blijft ons beschouwelijk bekijken.
“CAN WE DOCK HERE??” probeert Monique het, nog luider nu, nog eens.
“Yeah, or you can take a slip, whatever you want. Let me help you” De oude man stapt van zijn scooter en pakt lijnen aan, geeft aanwijzingen over spring lines en fenders. Hij is de havenmeester, al tien jaar, is 82, heeft 14 kleinkinderen, zijn vrouw is overleden, zijn hond vlak daarna (“maa waaaaf daaaaad ... and th’ dȏȏȏȏȏȏg toooooo, pure grieve if y’ææææsk me”), hij heeft nu alleen nog 7 katten die steeds in zijn kielzog mee de steiger oplopen. “If you want one, I’ll bring it”. Een van zijn kinderen, een dochter, is de locale dokter. “You just heard her leave.” Dat was een vliegtuigje dat opsteeg. Al deze informatie gedurende 10 minuten afmeren en vastmaken.

Tangier is ongeveer een mijl lang en een halve mijl breed. 500 inwoners die leven van crabs (hoewel je in hun restaurants geen verse crab kunt krijgen; zijn allemaal bestemd voor het vaste land) en van toerisme, er komen cruise boats van het vasteland. Maar wel met een vliegveldje waarop de dokter invliegt als dat nodig is. En om pa op te zoeken.
 
De sfeer is een kruising tussen Marken, Urk en Ameland met dit verschil dat alcohol hier duidelijk uit den boze is; noch in supermarktje noch in restaurant te koop. Er zijn een paar auto’s, maar het vervoer vindt vooral plaats in golfcarts en op scootertjes. Als twee golfcarts elkaar passeren kunnen ze stoppen en een gesprek beginnen. De volgende die eraan komt moet zich daar dan langs zien te wurmen. Wij hebben voor twee uur zo’n ding gehuurd om even mee te doen in het verkeer (in een half uur heb je alle wegen en weggetjes gedaan, blijkt).

Indianen visten en jaagden hier, de eerste Europese bewoners vestigden zich er eind 17e eeuw. Het waren zeer godvruchtige mensen, met de beste dominees, wordt hier trots verteld. (Wij arriveerden zondagavond; vanwege de kerkdiensten waren de restaurants dicht.) In de onafhankelijkheidsoorlog waren de bewoners pro-Engels en in de War of 1812 bouwden de Engelsen er Fort Albion op het eilandje, met een leger van 12.000 man (moet dringen geweest zijn) om van daaruit Washington en Baltimore te bestoken. Weggelopen slaven (zo’n 500) kregen er “vrijheid” - en training - om in het Engelse leger mee te vechten. Washington, inclusief het Witte Huis, werd platgebrand. De dominee die voor de aanval op Baltimore voor de troepen preekte, voorspelde ze verdoemenis. De aanval op Baltimore mislukte.

Naast de vele golf carts zijn er nog meer katten op het eiland. Goed verzorgd, niet schuw, heel veel. De havenmeester vertelt dat ze (hopefully) allemaal treated zijn.
“How can you tell?” vraagt hij. Hij wijst op een afgeknipt linkeroortopje. Zodra er een gespot wordt zonder knipje, moet die naar de vet,  anders worden het er snel tien.
Bij het weggaan, hij helpt met de landvasten en vertelt hoe we moeten varen om niet vast te lopen, het is laag water, Monique wordt intussen aangesproken als shweetheart, komt hij weer terug op zijn leeftijd. Monique zegt dat hij nog even te gaan heeft, haar moeder werd 95.
“My mother made it to 102!” antwoordt hij, “it was hard loosing her, mothers are very special in your life. In the sermon last Sunday the parson said that because God couldn’t be everywhere all the time, he created mothers”.
Iets om over na te denken als we de weer de Bay invaren.

Monique wil graag kleine hortjes, maar havens en ankerplaatsen liggen ver uit elkaar (het is tenslotte Amerika, alles is groter, ook de afstanden). 10M verderop ligt Smith Island, waar we om 11 uur “voor de deur” liggen. Het is mooi weer, we zeilen lekker en varen door, nog 30 M naar de ingang van de Patuxent River aan de Western Shore.  Daar zijn we om 5 pm en om 6 pm maken we vast in het Zahniser Yacht Center op Solomo’s Island.
Wat een verschil met Tangier! Oorspronkelijk een centrum van en oyster shucking en oyster canning nu een verzameling van luxe yachthavens en dure restaurants. We eten voortreffelijk in de Dry Dock, genieten van local oysters op Solomons Pier en luieren met witte wijn aan het zwembad van de marina.

Donderdag gaan we verder voor het laatste stuk (voor Monique) van ruim 30M de Choptank River op. Zeilend, voor de wind, op de gijp, daarom niet Monique’s favoriete koers. En dan zijn er ook nog visnetten en grote boten! 
Daarna stuurboord uit met halve wind de rivier op, met 6½ knoop. De VHF roept regelmatig dat er thunderstorms with windgusts of 35 to 40 knots aankomen. De lucht in het noorden wordt steeds donkerder en we horen verre donder. Het plan om te ankeren in Castle Haven laten we schieten, we gaan naar Oxford MD. Er klinkt vrolijke muziek van een terras waar zo te zien vrolijk gedronken wordt. We maken vast Scooners Bar and Restaurant terwijl het harder gaat waaien en donkere wolken zich boven ons opstapelen. Het eerste glaasje  houden we het droog, maar dan barst het onweer los. De boot ligt vast, het terras is overdekt, het bier is weer best, we blijven.


 

maandag 9 september 2013

We're in The Bay


Muggen!
Vanaf het moment dat we ons huisje in Oriental hebben verruild voor ons bootje zijn de nachten een verschrikking. De hoge temperaturen, maar vooral de hoge vochtigheidsgraad, en niet te vergeten de muggen, zijn een ware marteling. Het is, zelfs als we walelectriciteit en dus een ventilator aan hebben, een klamme bedoening maar om de ergste muggenoffensieven tegen te gaan moet je toch dat laken over je heen houden (hoewel de fanatiekste muggen ook daar gewoon door heen steken!)
Mijn muggenscratchsponsje (zo eentje als je voor tefalpannen gebruikt) verlicht de ergste jeuk zonder al te veel schade aan mijn vel. Bas daarentegen krabt zichzelf met zijn nagels open en zijn benen zien er inmiddels uit als van een leprose. De lakens zitten ’s morgens vol met kleine bloedspetters van alle muggen die die nacht door ons zijn geplet dan wel doodgemept. Wijzelf komen krabbend en vloekend ons bed uit. Stand 1-1.
De schepping, zij het door God of volgens Darwin, is volmaakt. Alles past zo keurig in elkaar, is zo goed doordacht ... op één ding na: MUGGEN!
WAARTOE zijn muggen op aarde?
Ik kom op internet niet veel verder dan dat zij, en hun larven, dienen als voer voor vissen (en die weer voor vogels etc.), dat zij zoemen om elkaar te kunnen horen (en gevoegelijk te vinden en te paren) en dat de vrouwtjesmuggen zoogdierenbloed nodig hebben voor hun eitjes (o.i.d.). Kijk, dat vind ik dus een misser in die schepping!
Had gezorgd dat vissen zich met minder irritante beesten konden voeden!
En ALS je dan echt vindt dat muggen nodig zijn, zorg dan dat ze zoals zoveel dieren elkaar kunnen ruiken zodat dat ellendige gezoem niet nodig is; dat vrouwtjesmuggen geen zoogdierbloed nodig hebben maar net als bijtjes gewoon de bloemetjes bezoeken of net als spinnen hun partner opeten na “de Daad”.

Eindelijk, op weg, varen.
Na een rustige ankernacht in Gale Creek, 20M noord op de ICW van Oriental, bereiken we op 30/8 Belhaven. River Forest Marina, zegt de vaargids, met 1890s Country Inn, restaurant, pool, tennis court, golf carts available: we zijn verkocht.
Maar ja, crisis, de prachtige, neo-colonial country inn staat te koop. Geen restaurant, pool, tennis court, maar we krijgen een golf cart mee om naar de town center te zoeven. Er staan mooie huizen, bewoond en goed onderhouden, maar mains street is een twijfelgeval. Gaat dit plaatsje het redden met alleen pensionado’s en ICW-passanten?

Zondag gaan we na lui opstaan en nog een rondje met de golf cart tegen twaalfen op weg. Zeilend de Pungo River op, motorend door het Alligator River Pungo River Canal. Bos, bos, bos aan beide oevers. Het kanaal is gegraven in de vroege 19e eeuw, maar waar het doorheen loopt voelt pre-Columbiaans aan, je verwacht beren en indianen tussen de bomen. Wolken stapelen zich op boven ons. Heerlijk, geen brandende zon, het is minder heet. Dan barst er regen los. Nog heerlijker, verkoelend, nooit gedacht dat we geen zon en zware regen zo lekker zouden vinden!

Druk is het niet: we komen drie boten tegen: een gewoon motorjacht, een superjacht uit Road Harbour, BVI en een brede duwbak die ons eng de kant in dwingt. Daar staan net onder water stompen van afgestorven bomen, waar je liever niet tegen aan vaart.
Het gaat allemaal goed. Aan het einde van het kanaal/begin van de Alligator River gooien we het anker uit tussen de krabbepotten.

Maandag zeilen we op de genua heel rustig de Alligator River af. Het is Labor Day, laatste dag van een lang weekeinde, we komen een (1) zeiljacht tegen.
Aan het eind van de Alligator River is een brug die voor ons open moet, on signal. Ik toeter dus maar en jawel, het autoverkeer wordt stilgelegd en de brug draait open. Direct na de brug is de Alligator River Marina, een jachthaventje bij een gas station waar we vastmaken. Monique doet een wasje, we kijken een TV-film en praten met Terry, een beroepszeiler van dik in de 60 die nu een boot met “no experience”-eigenaar gaat afleveren in Florida. “When we are sailing, I turn off the GPS and ask him: where are we, where will you go? They should learn not to trust on electronics!” Wij kunnen niet stuk, “came across the pond!” in een simpel bootje. Monique heeft hij toevertrouwd dat hij part Scottish, part Dutch, with some Indian is, vanwege dat deeltje Dutch is het dat hij “no wrinkles, no grey hair, just like you!” heeft.

Na een vroeg lekker vet truckers-ontbijt in het tankstation gaan we om 9 uur verder, het laatste stukje Alligator River en dan de Albemarl Sound over. Zeilend met grootzeil en genua, Selena kan het nog! Dan de North River op terwijl bloemkoolwolken omhoog torenen. Gerommel, Blitze, Donner, als we vastmaken in Coinjock regent het druppels als pingpongballen en licht en knettert het recht boven ons hoofd. “You’re just in time!” zegt de dock master die ons helpt afmeren en net als wij kletsnat regent.

Als we wakker worden is het weer stralend weer. We gaan verder noordwaarts de North Landing River op. Het ziet eruit als Friesland, of de Beulakkerwiede, kragen riet, landjes, dorpen  - met vooral nieuwe huizen en zonder kerktorens, dat verschilt. De North Landing River gaat over in het Albemarle and Chesapeake Canal. Er komen meer bruggen, de eerste gaat vlot, voor de tweede moeten we anderhalf uur wachten, achter ons hekanker bij een zacht windje, er zijn geen wachtplaatsen. Om 18:30 vinden we het mooi geweest en maken vast in Great Bridge. Op 10 minuten lopen is een winkelcentrum met een Japans restaurant. Ja, in Amstelveen en ongetwijfeld New York en Tokyo zijn er betere, maar deze is zeer acceptabel en kost een fractie van A, NY en T.

“Great Bridge bridge, Great Bridge bridge, Selena”. De brug gaat open en daarachter wacht ons een open sluis. Dan restten nog maar 10M Intra Coastal Waterway. Met veel bruggen, die wonderwel vlot open/omhoog gaan. We varen langs docks waar oude marineschepen worden gesloopt, andere, waaronder een “flattop” onderhoud krijgen. Donderdag 5 september, vijf maanden nadat ik dat van plan was, om half twee maken we vast in de Waterside Marina in Norfolk, ICW Mile 0, 160 NM varen van Oriental. Het bootgevoel en vertrouwen in Selana zijn weer een beetje terug.

Hoewel .....
Drie passen van de marina staat het Norfolk Waterfront Sheraton Hotel. De nachten op de boot waren – zoals hiervoor al dichterlijk omschreven –  warm, zweterig en doorgaans vergeven van de steekbeesten. Monique is dan geen prinsessen på erten, het lonkende luxe hotel was niet te weerstaan. De goedkoopste internet-prijs wilde/kon de balie niet geven, dus maar via internet een (luxe) Club-kamer met harbor view geboekt. Dat was nou jammer, die was er niet, systemen die niet communiceren, begrijpt u wel? Nee dat begrepen we niet. Dus kregen we uiteindelijk een Cabana Suite (slaapkamer met reuze-tv, woonkamer met reuze-tv, badkamer, keukenhoek), met openslaande deuren naar het zwembad, voor dezelfde prijs.
Met schuin tegenover ons onze fier wapperende driekleur. Decadente luxe, heerlijk.

"You did the right thing!"
In Morehead City kreeg ik van de vriendelijke douanedame een formulier voor Selena Welcome to the USA! (geldig tot 15/3/2014). Met de mededeling dat ik me moest melden als ik een ander douanegebied binnen voer. Zo niet, dan leidt dat tot hoge boetes. Norfolk = Virginia, dus belde ik het nummer dat ik had gekregen. Dat was van de douane in Florida, die me doorverbond naar een antwoordapparaat. Nummers in Norfolk gezocht en gevonden, gebeld, zelfde antwoordapparaat, zelfde bootschap (kom uit ..., moest bellen als..., ben nu hier, etc) ingesproken. Vrijdagochtend dus maar in person naar de customs.
Yes, I heard your messages, but couldn’t call back. De (wederom) vriendelijke customs officer maakt kopieen van het bootwelkomsbewijs, onze paspoorten, de visa,
“Makes it easier than us tracking you down. What is your planned itinerary? Don’t worry, we welcome visitors, you did the right thing to come over”. In Annapolis moet ik me weer melden.
“And don't worry about the date next year, we'll sort it out then. Have a nice stay!”

We slenteren verder wat door Norfolk, in het begin van de 17e eeuw bevolkt door Engelsen vanwege de ligging aan de mond van twee rivieren, maar daarvan is niets anders terug te vinden dan borden die dit vertellen. Het oudste deel is eind 18e, begin 19e eeuws. Freemason Street heeft alle bouwstijlen van Colonial tot bijna Art Deco. Het Chrysler Museum wordt verbouwd, maar de Glass Studio is open. We zijn te laat voor een live-demonstratie maar kunnen wel de glaskunst in al zijn vormen bewonderen.
Niet alleen in de Oude Wereld, ook hier worden kerken eet- en drinkgelegenheden. We lunchen in de Freemason Abbey, van buiten een lompe in blokken natuursteen gebouwde 2e helft 19e eeuwse kerk, van binnen een verademing van hout en baksteen na alle moderne diners. Battleship Wisconsin slaan we over, we hebben battleship North Carolina nog vers in het geheugen.

Chesapeake Bay in
Zaterdag gaan we weer aan boord, de Chesapeake Bay op. Er is nauwelijks wind en we stomen de 30M naar Cape Charles. Pas eind 19e eeuw gesticht als eindpunt van de Eastern Shore Railway en haven van lijnboten naar de andere kant van de Bay. Tussen de haven en het stadje ligt nog een met gras overgroeid spooremplacement. De winkels in Mainstreet zijn grotendeels “kunst”winkels. In welke Mainstreet je ook komt, een brood of een pak suiker kun je niet vinden, maar overal zijn rijen “kunst”winkels.
’s Avond zien we iets dat we niet voor mogelijk hadden gehouden: een vliegende rubberboot. Een gewone 3p dingy met een glider erop gemonteerd en achter geen buitenboordmotor maar een motor met duwende propellor. Er stappen twee mensen in, hij motort naar het midden van de haven, de motor en propellor beginnen te brullen als bij een echt vliegtuig, het bootje maakt steeds meer vaart .... en stijgt op van het water. 300 ft boven ons draait hij, met boordlichten en vliegtuigknipper, rondjes om de haven, vliegt naar zee, boven het stadje en landt na een minuut of twintig weer in de haven. Miracolee.

Als we zondag ontwaken staat er een frisse bries uit het westen. Dat wordt zeilen! Ik kleedt Seleentje uit, bevestig alle blokjes en lijntjes, en als dat gedaan is is de wind grotendeels weg. We proberen het een uurtje maar 35M bij nog geen 3 knopen duurt te lang. We motor-sailen een tijdje tot wind helemaal weg is.
Het is weer warm, warmer, warmst dus proberen we ’s middags de kuipdouche (tuinslang met tuinsproeituit) uit die Bas als een van de vele klusjes in Oriental geklaard heeft.
Met z’n tweetjes bloot in de kuip elkaar natspuiten en aan de lucht opdrogen, want verder geen boot te zien op het water, verkoelt.
We motoren verder, naar Tangier Island waar we tegen zonsondergang aankomen ....