vrijdag 15 maart 2013

GEVONDEN! (1)


We slapen tot de zon al uren op is.  Als we onze ochtendkoffie drinken komt een dinghy langszij om de mooring fee op te halen: $ 30, het standaardbedrag, zo leren we in de loop van de mooring-dagen.
En met een “and I brought you your breakfast” krijg ik als ik de dollars heb overhandigd met de kwitantie twee koude blikjes Heineken.
“You’ from Holland, so I thought you’d like these.” En weg knort hij in zijn rubberbootje.
Er is niet veel te beleven in Fat Hog Bay op zondag (en waarschijnlijk de andere dagen van de week ook niet). De bar bij Penns Landing is niet open, het winkeltje waar we langslopen heeft geen ijs meer, de benzinepomp iets verderop wel, maar, redeneert Monique als we binnen de koelkast zien, waarom ijs om bier te koelen als we koud bier kunnen kopen. Dat doen we, en ook een grote avocado die met Japanse sojasaus en peper – en het koude biertje – een heerlijke luch is.

We gaan van de ankerbal af en zeilen rustig op het fokje 4M naar Cooper Island. Het is er vol, we vinden de laatste vrije ankerbal aan de buitenkant van de baai. Op het strand is tussen de palmen een grote, blijkbaar populaire bar/restaurant. We drinken er, mijn eerste BVI-ervaring, de regatta van 1999, indachtig een paar painkillers (hoofdzakelijk rum, ananas- en cocossap in crushed ice). Het restaurant is sorry, fully booked. We eten bij de ondergaande zon aan boord. Dit is de gezochte Wereld van Peter Stuyvesant!*
Terwijl wij langzaamaan doen met koffie en onbtbijt, loopt de baai leeg. Iedereen wil de mooiste ankerbal hebben op de volgende stek, dus moet je vroeg weg! Volgens dit allocatiemechanisme steeds vroeger trouwens, je kunt het beste de avond tevoren al klaarliggen.

Wij vertrekken om een uur of 12, naar Road Town, weer 5M, om geld te tappen en te informeren over de beschikbaarheid van taxi’s heel vroeg op zondagochtend als Monique weer naar St Maarten moet vliegen.
We blijven maar liggen bij Cay Village Marina, met een giga-motorjacht aan de steiger voor ons en een terras met uizicht over de haven waar we niet meer wegkomen.  Er gaat met veel luid getoeter een cruiseschip weg, de volgende ochtend ligt er een nieuw dat net zijn passagiers gelost heeft. Overal lopen bleke of roze mensen.

Road Town swingt niet genoeg om te blijven, we zeilen 13M naar Jost van Dyk, een eiland noord van Tortola. Great Harbour ligt zo vol dat we 1M westelijk doorvaren naar White Bay, een ankerplaats achter een zandbank. Op de bank staan brekers, erachter is het zeer onrustig. Er zijn een paar vrije moorings waarvan we er een pakken, dat voelt veiliger dan achter het eigen anker. We blijven alle kanten opdraaien en schommelen hevig, maar dat doen de schepen om ons heen, zelfs de catamarans, ook. We vertrouwen er daarom maar op dat Selena zal blijven liggen en motoren met ons lullebootje naar het Happy Hour in de Soggy Dollar Bar, waar de Painkiller schijnt te zijn uitgevonden.

Bij het aan land gaan leren we hoe de bar aan zijn naam komt. Er is geen dinghy pier, je moet met je bootje het strand op, door flinke branding. Terwijl ik het motortje uit en omhoog doe als we het strand opschuiven, stapt Monique ons bootje uit om het verder omhoog te trekken, maar ze wordt onmiddellijk door een volgende golf kopje-onder getrokken. Ik houd het hoofd droog, maar dat is ook alles. Kletsnat lopen we over het strand naar de bar. Dat onze dollars – en camera – niet soggy zijn is dankzij een waterdicht tasje dat Monique meegenomen heeft (“leek me wel handig”).
Onder de palmen kunnen we onder het genot van wijn en Dark & Stormy iets opdrogen.

Een Amerikaanse dertiger neemt een foto van ons beiden.

“Where are you from? Germany? Switzerland?”
No, Holland.
“Even better! I know a Dutchman, Friso of Orange, he is in coma now, nice guy, I went to college with him. [knip zegt het fototoestel] Nice meeting you!”

Ons vertrek baart zorgen, ook na twee wijnen en twee Dark & Stormies. Met golven mee op het strand gezet worden is nat, maar je komt er of je wilt of niet. Tegen de golven in met een licht rubberbootje is een ander verhaal.
Maar, het feit dat je dit leest, bewijst dat het, opnieuw drijfnat wordend, gelukt is. Als we eenmaal in ons bootje naar boord knorren, zien we met enig leedvermaak anderen bezig met dezelfde worstelpartij.

Cursief hieronder Monique

Donderdag 14 maart
We liggen nu in “ Niels’ haven”: Sopers Hole, het West End van Tortola.
We zijn hier gistermiddag aangekomen.
Wat hebben we gedaan sinds vorige keer: Bas was veel sneller dan gedacht op Tortola en ik kwam pas rond 23 uur met een lawaaiig propellorvliegtuig op Tortola aan.
Selena lag in Fat Hogs Bay voor anker en Bas heeft me daar op een door nieuwe maan onverlichte nacht naartoe geroeid (het eerste dat Bas de volgende morgen deed was het installeren en indraaien van de buitenboordmotor!)
De volgende stralende dag zijn we naar Cooper Island gezeild; een afstandje van 5 mijl of zo, een boei gepakt in Manchioneel Bay en vandaar met ons lullebootje naar de kant gemotord om tijdens het happy Hour in Cooper Island Beach Bar aan de bar Pain Killers te drinken (lekker! Iets met kokos, ananas en rum). Veel kijk-mij-nou volk en erg Peter Stuyvesant*. Op het strand staan in het water een aantal “statafels” (palen met een ronde plank erop) voor als je frisse voeten wilt houden tijdens het drinken.
Na onze pain killers en een portie “conch fritters” terug getufd naar de boot voor een onvervalste Basopselena-spaghetti.

* Bas en ik bedachten ons dat de jonge lezertjes niet weten waaraan wij refereren met het Peter Stuyvesant-gevoel, vandaar nu enige uitleg. Vroeger, toen roken nog werd aangemoedigd en vooral in de bioscopen lange sigaretreclames vertoond werden, had je , lang vóór de Marlboro-cowboy, een reclame van het sigarettenmerk Peter Stuyvesant. In die reclame zag je een groot wit luxe zeiljacht door een zonnige Maagdeneilandsetting zeilen met op het – heel grote – voordek een aantal gebruinde, in witte bikini’s gestoken, mooie, jonge, schouderlang blonde, lachende (hoofd in de nek: ha-ha-ha) vrouwen met daarom heen een aantal al even gebruinde knappe jonge mannen met sixpacks, die de dames van een vuurtje voorzagen.
Dát was “ de wereld van Peter Stuyvesant”. En dat was ook hoe ik dacht dat zeilen zou zijn. Dat viel de eerste keer nogal tegen: in een Friendship van 6 meter, in de kou en regen en grotendeels donker, in een ruk van elf (11!) uur van Muiden naar Hindeloopen. Voornamelijk horizontaal om niet heel erg zeeziek te worden en af en toe acrobatische toeren op dat schuin liggende, schommelende schip, op een “puts” als de blaas het echt niet langer kon ophouden. Dat was de reden dat het me even tijd kostte voordat ik zeilen een beetje leuk begon te vinden.

Nu heb ik dan toch, 40 jaar na die eerste ontgoochelende tocht, de Wereld van Peter Stuyvesant gevonden. Zijn echte wereld ligt 1600M verderop, die komt nog.

De volgende dag zijn we naar Road Town gezeild; de hoofdstad van Tortola (en BVI) en lagen daar voor een nachtje in de marina. Ook weer een leuke bar/restaurant aan het water waar we heerlijk gegeten en gedronken hebben. ’s Morgens zitten hier wat oudere Amerikaanse echtparen (ik bedoel dus: ouder dan wij) die van de cruiseschepen gedropt worden, tegenover elkaar aan een biertje somber langs elkaar heen en voor zich uit te staren of, zoals we ook wel zagen, echtparen die met elk hun eigen iPhone puzzeltjes aan het maken waren; gezellig! Hij in Hawaii-shirt, zij in licht roze-oranje of geelgroen met bloemetjes. De meest afzichtelijke blote mannenbenen en pukkelige blote vrouwenruggen, brrrr.
Enfin, in Road Town wat boodschappen gedaan en toen vertrokken naar het eiland Jost van Dyke; een hele afstand van wel 10 mijl! Prachtige tocht over turqois water, tussen de eilanden door met het laatste stukje even een echte lome oceaan-swell.

Omdat Great Harbour al helemaal vol lag (en als beach-party paradijs te boek staat) zijn we iets bakboord uit naar White Bay gegaan en hebben daar een ankerboei gepakt. Het is een natuurlijk haventje dat je aan twee kanten naarbinnen kunt; daartussen ligt een ondiepe zandbank waar brekers op staan. Er is daar geen “dingy-dock” (steigertje voor lullebootjes) dus je moet even goed plannen hoe je zo droog mogelijk op dat mooie witte palmenstrandje kunt landen want de de kust loopt aan de waterlijn heel snel op, wat krachtige golven oplevert.
Nou, dat werd een worstelpartij in de branding tussen middelbaar echtpaar en rubberbootje! Bas en ik waren het erover eens dat we zo dicht mogelijk naar, en recht op, het strand moesten mikken, dat ik dan op het juiste moment van het bootje zou stappen (Bas moest het bb-motortje bedienen) en snel tussen de golven door, het bootje op het strand zou trekken. Alzo naderden wij het strand en hing ik vast een been op de rand van de boot. “Nu!”, riep Bas en aangezien ik het met hem eens was, duwde ik mijzelf resoluut uit de boot. Even voelde ik vaste grond onder mijn voeten, maar direct erna zoog dat met veel watergeweld ook weer onder mijn voeten weg, hield ik mij nog net met een hand vast aan de rand van de boot maar lag ik verder languit half onder de boot, die met iedere golf eerst een harde klap naar voren en direct daarna weer naar achteren maakte. Maar wij zijn niet voor een gat te vangen, dus uiteindelijk kregen Bas en ik het voor elkaar, zij het zeiknat, de boot hoog op het strand te trekken.
Wij hadden ons drankje wel weer verdiend en dat vierden we in de Soggy Dollar Bar, gelegen aan dat mooie parelwitte palmenstrandje (waarom de meeste dollars hier soggy aan land komen, moge duidelijk zijn).
Ze hadden daar een spelletje: tegen een boom is een plankje getimmerd met een haak in het midden. Op ongeveer een meter afstand van die haak, hangt op drie meter hoogte een touwtje met een ring eraan. De kunst is nu van een afstand van ca. 3 meter de ring om de haak te krijgen. Lukt dat dan gaat er groot gejuich op. Het is aandoenlijk om te zien hoe fanatiek sommige mannen daarmee bezig zijn. Leuk idee voor ons volgende feestje?

Goed, toen moesten we ook weer terug naar het schip!
Ook nu weer hadden we de tactiek goed doorgesproken, of eigelijk hadden we ons erbij neergelegd dat we dat niet droog voor elkaar zouden krijgen. De kunst was het bootje door die eerste branding geduwd te krijgen, dan in te stappen, motortje starten (dat heeft geen “vrij”, alleen maar voor- of achteruit, en je wilt toch ook IN het bootje zitten als de motor loopt) en gaan. Nou ja, ik was toch al nat, dus nog even een rondje gezwommen en toen met z’n tweetjes de boot in het water getild, half in het water staand de juiste golf afwachten, gauw afduwen, gauw instappen, gauw motor starten en ja! Gelukt!
In de kuip met zoet water alle zout weer van ons afgewassen.

Om ons heen stikt het van de pelikanen. Ze lijken een beetje op prehistorische dieren met die rare grote kop en helemaal niet op de witte pelikaan uit de strip “Pol, Pelle en Pingo” of de Donald Duck. Een beetje een vogel met een kop erop. Van boven zijn ze bruin/grijs, van onder turquois als de zee (schutkleur). Ze scheren hoog of laag over het water en duiken dan recht naar beneden. Als ze beet hebben gooien ze de kop in de nek en zie je die zak aan de onderkant van de bek pas echt goed.
Als de zon bijna onder is, springen er rondom de boot ineens overal vissen uit het water; vermoedelijk om insecten te vangen.

De plek waar we voor anker liggen is nogal wiebelig; door stroming en rare wind in die inham. Slapen lukt maar moeilijk door de rare bewegingen en onverwachte rukken aan het schip (nog niet zo erg als onze wastrommelervaring op het eiland Poel destijds, maar het kwam in de buurt), het bonken van de mooringbal tegen de boeg, eerst links dan rechts. De nacht lijkt eindeloos lang als je wakker ligt.
De volgende ochtend ligt vlak voor de baai een gigantisch zeilschip voor anker, de Club Med II. Er wordt al vroeg van alles naar het strand overgebracht zodat de jonge rijken zich straks niet zullen vervelen aan de kant.
Wij, wat katterig van de slechte nacht, besluiten  naar de overkant te zeilen, naar Cane Garden Bay. En zo gebeurt. We liggen rond 11 uur vast aan een bal, maar naarmate het later wordt komt er meer deining de baai binnen zodat je ook stilliggend je steeds moet vasthouden om niet om te vallen. Ook hebben we geen goed dingy-dock kunnen waarnemen om droog aan de kant te kunnen komen. Niet veel zin hebbend in nog een slechte nacht stel ik voor om toch naar elders te zeilen.

Vandaar dat we nu in Sopers Hole liggen. De haven waar Niels’ vader tot voor kort zijn bootje had liggen. Grote maar gezellige haven, met heel veel moorings om aan vast te leggen en in de luwte van deining en wind. Gisteravond gegeten bij Soper’s Hole Restauranty aan de haven. Helaas, geen kreeft available, dus gekozen voor een mixed grill en “flat iron steak” en pecan pie toe. Dit alles overgoten door een Merlot, voorafgegaan door reeds enkele glaasjes van het een en ander, dus zoals Bas zei “een wonder dat we nog terug aan boord gekomen zijn”. Nou, zó erg was het ook weer niet en misschien dat we daarom ineens zo soepeltjes in en uit het rubberbootje stapten!

Vóór het restaurant ligt de dingy-dock en dat lijkt erg op de situatie op het terras van Ome Ko bij de sluis in Muiden. Je gaat er zitten om te kijken hoe andere mensen met hun bootjes aankomen, vastleggen, uit- dan wel instappen, vertrekken; maar vooral om te kijken wat er niet helemaal lekker gaat! Excuus voor dit leedvermaak is dat je eerst zelf je bootje daar moet hebben aangelegd om toeschouwer te mogen zijn.

Inmiddels hebben we besloten hier nog een nachtje te blijven zodat we vanmiddag even lekker kunnen douchen, blog bijwerken, financien checken, mijn terugtocht (;-(  plannen en wat we tot dan nog kunnen doen.

 

maandag 11 maart 2013

St MAARTEN


Waar waren we gebleven. In Monique’s Beach Resort and hotel Flamboyante, aan de Franse kant van het eiland aan Simpson Lagoon, een groot binnenmeer waar jachthavens zijn en waar je kunt ankeren. Dus vaar ik zaterdag Selena naar Monique’s onderkomen. De brug tussen Simpson Bay (oceaan) en de lagune draait een paar keer per dag en zet als hij open is het verkeer nog stiller dan het gewoon toch al stilstaat. Daar vaar ik dan, tussen de rijken der aarde: voor me een 25m superzeiljacht, achter me een witte mini-QE-II.
Ik ga naar het Franse deel. Illegaal! Een wonderlijk eiland is St Maarten. Over de weg kun je zonder meer van Frankrijk naar Nederland en vv zonder iets van grensaanduiding of gedoe. Maar over het water dien je je uit te klaren voor je een fictieve lijn in de lagoon overvaart, en dan in Frankrijk in te klaren. Ik vergeet dat maar even en vaar naar het strand waar Monique blij staat te zwaaien en ik mijn anker laat vallen. Hotelkamer met douche, verse croissants, palmenstrand met eigen jacht voor anker, we komen in de buurt van de Wereld van...

Als je er niet aan denkt dat je een fictieve grens oversteekt, herinnert je GSM-provider je er wel aan. “Welkom in de Nederlandse Antillen, een telefoongesprek kost 200 ct/min”. Even later: “Welkom in Frankrijk, een telefoongesprek kost 35 ct/min”. En als je weer de andere kant oprijdt “Welkom in de Nederlandse Antillen, een telefoongesprek kost 150 ct/min”.
??? Net was het toch 200ct? Zo heb ik 30 sms-jes, aan de Franse kant kost bellen consequent 35ct, in Nederland de ene keer 200ct, de andere keer 150ct.
Het Nederlandse deel van het eiland wordt door velen als “Amerikaans” aangeduid. Philipsburg is een winkelstraat met juweliers. Richting vliegveld en daar voorbij staan grote moderne hotels. Overal zijn casino’s. Op grote borden wordt veel adult entertainment aangeprezen. Uit Nederland krijg ik sms- en email-berichten dat corrupte politici de zak vullen door bordelen te runnen.
Het Franse deel is gewoon een Franse gemeente zonder casino’s en adult-gedoe, daar zijn het restaurants en veel strand met palmbomen die de bezoeker gelukkig moeten maken.

Verdere impressies hierbij van Monique.
M: Dinsdag 5 maart 2013

Zit op het balcon annex buitenkeuken van ons condominium (condomium noemde ik het ooit, toen ik het woord voor het eerst was tegengekomen) op St. Maarten terwijl een tropische hoosbui neerplettert.
Fijn voor de vele soorten palmen en andere exotische bomen die hier groeien en bloeien en ook fijn voor de hondjes die ik gisteren her en der in alle droogte op zoek vond naar wat drinkwater. Mijn voornemen om een fles water voor ze mee te nemen hoeft dus hierbij geen doorgang te vinden.
Sinds afgelopen vrijdag ben ik op dit eiland, waar ik weer herenigd werd met een gebruinde en bebaarde Bas na zijn eerste etappe Atlantic-crossing.
Inmiddels is de baard weer verdwenen, eten we niet meer iedere middag en avond “ uit” , is de alcoholconsumptie weer enigszins genormaliseerd en is het weer een beetje “back to usual”.

Zo langzamerhand ben ik ook niet meer de gejetlagte kip zonder kop die wat verloren  (waar ben ik? wie ben ik? waarom ben ik hier? kan ik mijn ei kwijt?)  in haar nieuwe ren rondhipt en leer ik mijn omgeving en het eiland een beetje kennen.
Bas is nog steeds druk met Selena. Zaterdag heeft hij haar vanuit de Groote Baai omgehaald naar Simpson Lagoon waar ze heerlijk voor ons hotel voor anker op de golven lag te wiegen. Gisteren heb ik Bas met spullen per kano* (van de strandtent) afgezet bij Selena en heeft hij haar naar scheepswerf TOBY (Time Out Boat Yard) verderop gebracht waar zij uit het water gehaald is.

*Toen we nog niet door hadden dat we een kano konden gebruiken, zwom Bas naar de boot, deed alle benodigde kostbaarheden (iPad, telefoon, papieren, etc.) in een waterdichte envelop in een waterdicht gesloten Tupperware-emmer, ging te water en zwom op zijn rug met die emmer op zijn buik naar de kant. Heb het helaas niet zien gebeuren anders had ik er natuurlijk een foto van genomen.

De komende dagen zullen worden doorgebracht met het in de primer en antifouling zetten van Selena’s buik.
Keith, de werfeigenaar, is een late dertiger die zo te horen van down under komt. Als we zaterdag komen informeren naar een mogelijkheid om Selena te laten liften, is hij er niet: “The boss? On Saturday? No way!”, zeggen de twee oudere zeilhippies die, vanwege wifi, onder de overkapping bij het kantoortje zitten met hun laptopjes.
De werf en haar betreders zijn bijzonder. Her en der klusters van lege oliedrums vol lege bierflesjes, overal afgedankte bootmaterialen en half tot heel vergane scheepjes, wegroestende scheepsmotoren, gedeflatteerde  (vind ik mooier klinken dan “ lekke”) rubberboten, veel wat verlopen vrijbuitertypes. Ergens op het terrein een vervallen zeilboot met ernaast een vervallen auto en een soort omheinend “tuintje” die erop duiden dat daar destijds (of nog?) lange tijd door iemand gewoond en geleefd werd.

Maar er wordt ook hard gewerkt aan nog wel goede en best dure schepen o.a. door een franse, blanke, jongen van net dertig ofzo met een lang rastakapsel dat op zijn rug is samengeklonterd tot een tien centimeter dikke plak dicht, beige vilt. Eerlijk gezegd nogal vies en ik moet er  niet aan denken wat er allemaal in die plak leeft.....

Vanwege Selena op de kant hebben we het hotelverblijf (en autohuur) verlengd tot vrijdag. “Flamboyant – Le Village” is een complex van appartementen dat luxueus is aangelegd, met oleanderhagen, veel groen, een zwembad, strand aan de Simpson-lagune, maar niet meer zo luxe als wellicht ooit de bedoeling was. Van de faciliteiten op het strand (strandvolleybal, jeu de boules, kajak/kano varen) wordt amper gebruik gemaakt. Maar misschien is alles in een wat lagere mode gezet omdat het hoogseizoen voorbij is c.q. dit het bejaardenseizoen is? Hoe dan ook, wij hebben een prettige schone kamer op de eerste verdieping, met brede schuifdeur naar een groot balcon annex buitenkeuken, van alle gemakken voorzien en met uitzicht op palmen.
Wifi doet het hier niet (“Wifi not work now”, “O, when do you expect it will?”, schaapachtig lachje vanachter de balie met een oogrol naar de dame ernaast want zij weten wel beter (never/nooit!): “Ah, I cannot tell but probably not today”; nou toen wisten wij het ook!), maar wel 40 meter verderop in de Patisserie waar we dan ’s morgens meteen lekker een café au lait en espresso drinken en een stokbroodje of croissants bij, of mee, nemen.

Inmiddels hebben we bij de scheepswinkel een buitenboordmotortje gekocht voor straks als we met het “lullebootje” (bij ons sinds lang ingeburgerde naam voor rubberboot, ooit gebezigd door een nog heel kleine Emiel de Vries; inmiddels eerste stuurman of iets ander hoogs bij de Holland Amerika Lijn) van en naar ons voor anker liggende schip moeten komen. Daar hebben we ook alle verf en nieuwe anodes gevonden.

 Vandaag mijn derde leguaan (of is het een varaan?) gezien. De eerste lag plat op de weg, de tweede lag te zonnen op de muur van een kerkhof en de derde zag ik vandaag op de werf, langs het water; wel een halve meter lang.
Er zijn hier ook prikbeestjes. Geen muggen maar knutten maar dan van de minder vervelende soort d.w.z. hun beten jeuken wel maar niet zo exorbitant als b.v. in Maine en wat sowieso aardig van ze is is dat ze niet, zoals muggen, de hele tijd onheilspellend rond je oren zoemen.
De dagen zijn hier warm, maar als de zon onder is koelt het af tot een prettige temperatuur waar het ’s nachts met alleen een lakentje en de balkondeur open heerlijk slapen is zonder de airco aan te hoeven doen.
Zo, het is opgehouden met plenzen dus ga ik Bas weer naar de boot brengen.

Donderdag 7 maart
Ik breng mijn dagen door met lezen en aan het zwembad hangen, op en neer rijden naar de scheepswinkel voor spullen die Bas nodig heeft, Bas halen/brengen naar/van werf, wat boodschapjes doen; heel Rrrielèèèext dus.
De boot laat ik lekker ongeemancipeerd en onaardig aan Bas over (nou vooruit, ik heb een waterlijntje voor hem afgeplakt!). Als Selena straks weer drijft ga ik een dektent in elkaar zetten zodat we in de kuip in de schaduw kunnen zitten (en ook het kajuitdak gedeeltelijk uit de zon houden).

Bas is nog steeds druk met Selena maar als het goed is gaat ze morgen weer te water. Al met al hebben we langer op St. Maarten gezeten dan de bedoeling was, maar dat kwam doordat het onderhoud aan Selena iets langer duurde dan gepland.
Gegrondverft (met een “ t” ????? want kofschip/fokschaap???), geantifould, van nieuwe anodes voorzien; kortom ze ziet eruit als een jonge meid! Ben benieuwd naar de rekening..... ;-(

De surveyor (een Belg) komt vanmiddag de definitieve keuring doen zodat Bas daarna met zijn keuringsrapport een cascoverzekering kan gaan aanvragen. Blijkbaar gaat het niet alleen om de buitenkant, maar ook binnen wordt van alles gecheckt, en nagegaan welk instrumentarium Bas allemaal tot zijn beschikking heeft. Zal wel goedkomen; daarop anticiperend heb ik Bas een paar gekoelde biertjes meegegeven in een krant.
Toen Bas de man belde om een afspraak te maken, vroeg Bas “Hoe laat denkt u dan te komen, want mijn vrouw en ik zijn hier op vakantie, dus daar wil ik ook een beetje rekening mee houden...”. Zegt de Belg (op z’n Belgs):” U zeit nun forteunlik mens! Ik hè gin vakantie en ok gin vroow.”
Ik werd vanmiddag aan hem voorgesteld; hij keek me diep in de ogen, pakte mijn hand met beide handen en ik dacht even dat hij er een kus op ging drukken (ja kinders, zo heet dat: een kus drukken) maar dat gebeurde toch niet.

We hebben auto en hotel nogmaals verlengd tot zaterdagmorgen. Bas vertrekt morgen om 14.30 (een eerdere open brug om de lagune uit te komen haalt hij niet) en zeilt dan de 90 mijl naar de Britse Maagdeneilanden. Ik vlieg zaterdagmorgen met Liat naar Tortolla en dan zien we elkaar daar weer ergens. Bas moet nog even uitklaren aan de Nederlandse kant en niet vertellen dat we tussentijds naar de Franse kant van het eiland zijn geweest, want officieel moet je dan steeds in- en uitklaren.

Dinsdagavond waagden we toch nog een keer onze kans in Chesterfields waar Hedwig en Harry voor ons een tasje met inhoud hadden achtergelaten om onze komst op het eiland te vieren. Afgelopen zaterdag hadden we er al naar gevraagd maar toen had men geen idee waar we het over hadden. Hedwig instrueerde nog eens te proberen en dan naar de zwarte manager te vragen. Aldus deden wij, maar de manager bleek dezelfde blanke ringbaard als zaterdag. Dit keer zei hij weer “no idea” te hebben maar nam tenminste de moeite om even achter te kijken en zowaar, daar kwam de tas tevoorschijn. Een pretpakket van tijdschriften, landkaart met aangekruiste leuke adressen, chips, een heerlijke fles rode Merlot en een – royaal – restant heerlijke Bacardi Gold rum! Naar de door Harry en Hedwig reeds betaalde welkomstcocktail hebben we maar niet meer gevraagd......
Maar dat gaf niet want iets verderop, in the Greenhouse, hebben we heerlijke verse kreeft gegeten met een lekker flesje wijn erbij.

Vanavond gaan we onze laatste avond (samen) op St. Maarten vieren in Mario’s Bistro, bij de brug. Hoop dat het daar een beetje goed is want onze ervaringen hier met restaurants tot nu toe (behalve dus die kreeft) vallen een beetje tegen.

We hebben inmiddels diverse soorten supermarkten bezocht; van heel rommelige tot heel chique. Het is een duur eiland. Alles moet worden ingevaren of -gevlogen en van ver komen en dat kost een paar centen.  Langs de kant van de weg staan kraampjes met lokale groenten en fruit, die waarschijnlijk veel betaalbaarder zijn. Ik heb ze nog niet kunnen proberen omdat ik al voldoende had ingekocht voordat ik ze ontdekte. En nu we weggaan wil ik niet nog allerlei bederfelijke waar gaan meeslepen.

Vrijdag 8 maart
We worden ’s morgens steeds gewekt door de vogeltjes: “Tfie-tfie-tfie-trrrrr” zoals we ’s avonds trouwens ook in slaap worden gezongen maar dan met een ander vogeltjesgeluid: “Shriek-shriek” in meervoud en syncopisch tegen elkaar in (klinkt als een stel verroeste, aanlopende watermolentjes zoals je die zag/hoorde in Once upon a time in the west).

Mario’s Bistro zat gisteravond al helemaal vol maar ze verwezen ons naar La Cigale, een restaurant ongeveer naast ons hotel. Parkeren naast een ander hotelcomplex met afgesloten, bewaakt parkeerterrein, langs een laag flatgebouw lopen en je afvragen of je dit wel leuk gaat vinden en dan op een heel romantisch, met kaarslicht verlicht wit zandstrand uit te komen met tafeltjes aan het strand, tussen de palmen, en op de veranda. Gerund door Olivier en Stephan. Heel duur, maar lekker en gezellig gegeten.

’s Morgens heeft Bas nog een laatste ontmoeting met Jean Claude om de motor te laten zien en horen.  We klaren Bas uit aan de Nederlandse kant schudden schijnheilig “ja’ als het meisje ons vraagt of Bas straks door de brug aan Nederlandse kant vertrekt. Dat doet ie dus niet want da’s te ver om. Om 17.30 neemt hij de brug aan Franse kant. Ik zwaai hem uit en zal het een nachtje zonder hem moeten stellen. Ik vlieg zaterdagavond om 21.10 en we zullen dan zo’n beetje tegelijkertijd aankomen, denken we.
 
B: In Tenerife is Selena’s onderkant zo grondig schoongespoten dat op een paar plekken niet alleen de aangroei maar ook alle verf er afkwam. Ze moet de kant op voor een schilderbeurt. Op Bobby’s Boatyard aan de Groote Baai is dat geen probleem, zij het dat zelf werken niet mag. Nu bevind ik mij tussen de rijken der aarde, had ik al geconstateerd, maar zelf ben ik niet zo rijk en ik doe sommige zaken graag zelf. Dus gaan we op zoek naar een werf waar zelfwerkzaamheid wel is toegestaan. En die vinden we in Frankrijk: TOBY, Time Out Boat Yard in Sandy Ground. Er zitten wat oude zeil-hyppies onder een afdakje met computers en er staan/liggen boten in verschillende stadia van opknappen of wegteren.
De baas komt zo te horen van down-under.
“No problem, mate”. Maandagmiddag sta ik op de kant en kan gaan krabben, primeren, plamuren, anodes wisselen. Vier dagen werk ik me in de rondte. Ook lukt het om eindelijk een surveyor te vinden die een rapport tbv mijn verzekering kan stellen. Zo heb ik ook tussendoor Jean-Claude, een Belgische heer van 70 die mij met “jongeman” aanspreekt, aan boord die alles aan een strenge controle onderwerpt. Hij komt aanlopen met vijl en schroevendraaier, maar hij bespaart me weer 7 lagen verf met alleen maar kloppen en de vraag “gij hebt dit goed gecontrolleerd toch?”. Een hele middag wordt Selena, met mij als tolk, onderworpen aan een kruisverhoor. Hij is verbaasd over het reddingvlot uit 1987 dat in 2011 nog goedgekeurd is “25 jaren oud, dat kan niet!”. Selena vindt hij een mooi schip. Met haar 43 jaar komt ze goed door zijn keuring.
Vrijdag ga ik weer het water in. Alle werfgasten zijn verbaasd, zo snel al? Sommigen zien er uit of ze er al jaren aan het werk zijn, wat aan hun boten niet is af te zien, ze staan er, met tuintje en rommelerf te wachten op de volgende zondvloed.

Oh ja, ik moet ook nog uitklaren. Monique rijdt me naar de douane bij Simpson Bay, die omdat het “vrouwendag” is, tot later in de middag gesloten blijkt. Weer terug door het stroperige verkeer, en later er weer naartoe.
“Waar ligt u nu? Wat is de volgende haven?”
“In de lagoon. Tortola”. Of ik in het Nederlandse of Franse deel lig wordt gelukkig niet gevraagd.
Uitklaren voor vrijdag kan nog net, gezien het moment dat de brug draait, ik moet opschieten, zegt de douanedame.  De brug aan de NL kant wel te verstaan. Ik zeg maar niet dat ik er aan de Franse kant – in Sandy Ground is ook een brug - uitga. Het spaart de Franse douane en mij tijd.
Na een zware werkweek steek ik vrijdag 8/3 om 17:30 weer in zee.
Een aantal mensen waarschuwt voor a big swell, 13sec, 4m en weinig wind. Nou, dat wordt zwaar de komende 90M naar de BVI. Monique vliegt toch maar liever en zwaait me uit bij de brug.

Er staat een noordelijk briesje waarop ik tussen de 3 en 4 knopen loop. Van deining is (nog?) niets te merken. Na een uur is het donker en verdwijnen wind en voortgang langzaam. Het is niet druk, maar er zijn steeds wel wat boten op een paar mijl om me heen. Dat worden korte slaapjes. Zo motorsail ik na vier bruine boterhammen met pindakaas en een Sam Adams Boston Lager een nacht met de kookwekker op 15 minuten de 80M naar de Virgin Islands. Op deining van 40cm.

Als het licht wordt om 06:00 ligt Virgin Gorda (de Dikke Maagd, zo genoemd door Columbus op zijn 2e reis vanwege de vorm van het eiland, een dame met een dikke buik die op haar rug ligt) groot voor me. Een paar keer duikt een walvis ca. 100m voor het schip op maar blijft daarna onzichtbaar. Ik ga het Drake Channel in, het zeilwater waar het om te doen is, omringd door eilanden (met mooie ankerplaatsen) en daardoor beschut voor ocean swell.
Spanish Town op Virgin Gorda heeft de meest nabije douanepost dus ga ik daar eerst maar heen om in te klaren, het is zaterdagochtend, de middag en zondag zijn ze gesloten en zonder ingeklaard te zijn mag ik officieel niet de wal op.
De  swell die ik op de oceaan gemist heb, krijg ik hier bij het binnenvaren. De marina waar ik moet zijn ligt achter een bank waar metershoge brekers oplopen. Daar moet ik op een paar meter langs. Enerverend. Na inklaren (“that will be $14,50”) neem ik diesel in (hoeveel ltr is een gallon ook alweer?) en water in. En dan ga ik maar weer langs de brekers naar buiten. Met 3kn op de fok zeil ik de 4M naar Fat Hog Bay in Tortola, vlak bij het vliegveld waar Monique ’s avonds zal aankomen.
Ik pak een ankerbal en denk na een biertje een slaapje te kunnen doen. Maar op de kant is een feestje. Met verschrikkelijke muziek en iemand die daar met een microfoon bovenuit schreeuwt, zo hard dat zelfs met oordopjes in het geluid iedere ARBO-norm overschreidt. Na een half uur geef ik het op en ga de boot maar opruimen, vanaf nu moeten we er met z’n tweeën op vertoefen. Ik pomp het bijbootje op – Monique zal niet naar de boot willen zwemmen – en haal het 2½PK buitenboordmotortje dat we op St Maarten gekocht hebben (nauwelijks duurder dan twee potten antifouling) tevoorschijn. Tegen de tijd dat ik de instructie heb doorgelezen en benzine+2taktolie heb getankt is het donker, dus lijkt het verstandiger te roeien en bij licht het motortje de eerste keer te laten lopen.

Om tien uur ’s avonds als Monique is geland, roei ik naar de kant en wacht tot een taxi haar aflevert. Dat duurt even. Er stoppen taxi’s voor mij, mensen die langslopen zeggen vriendelijk good night alsof het heel gewoon is dat er een witman staat te staan. Maar uiteindelijk komt het taxibusje en roei ik met Monique naar Selena.


 (wordt vervolgd)

maandag 4 maart 2013

IK BEN ER!

Maandag 4 maart

Om te beginnen: IK BEN ER!

Na 22¾ etmaal gooi ik om middernacht tussen 28/2 en 1/3 (local time) mijn anker uit in de Groote Baai voor Philipsburg. Eindelijk mag ik een echt biertje. Maar voor anker is nog niet stilliggen. Mijn enige, voor dit moment bewaarde Leffe gaat na twee slokken door de kuip als het schip opgetild wordt door een golf. Gelukkig heb ik ook nog een Pelforth Brune.

Na een aantal uren slaap ZONDER het akelige wekkertje zit ik vrijdag 1/3 begin van de middag in de Greenhouse aan de Groote Baai achter een heerlijke pint koud Heineken. “My first one in 22 days!” zeg ik verzaligd als hij gebracht wordt. “You are going to make up for the 22 days now?” vraagt de serveerder hoopvol?

Dan zie ik Monique zoekend rondkijken. Ik citeer Monique (uit mail aan dochters): “Kon hem zo gauw niet vinden, maar gelukkig kwam er al snel een tanige, gebruinde, bebaarde (heel aantrekkelijke!) man op mij aflopen ...”.

Na nog twee pinten zijn we naar Monique’s Beach Resort gegaan, eindelijk een douche en zo nog wat en ’s avond T-bone steak en rode wijn en een bel cognac toe....

Vandaar dat de hervatting van het blog even op zich liet wachten.

 
Wat een eind, 2700 zeemijlen (voor de landlubbers: 5000 km). Wat zeg ik, op een gegeven moment begint het eindeloos te voelen, terwijl ik de gehele reis op de 10 meter nauwkeurig weet waar ik ben. Het respect voor Columbus die op geloof in zichzelf en de overtuiging uitverkoren te zijn maar zonder enige kennis van wat hij deed hier voer, groeit met de dag.

Niet alleen wordt de oceaan eindeloos, ook de tijd houdt op te gaan. De derde week had ik wel weet, maar geen gevoel dat ik al twee weken op het water zat. Zelfs de oceaan houdt nu en dan op er te zijn. Al het water om me heen wordt een abstractie.  Ik zit dan aan boord alsof ik een dag aan de steiger aan het klussen ben.

Woensdag 6 februari, de dag van vertrek. Er rest alleen nog uitklaren bij de grenspolitie, en dan kan ik aan het eind van de ochtend eindelijk weg. Op de crew list staat één naam, de mijne. De Canarische politieman spreekt zowaar wat Engels.
“Alone? To Saint Martin, Caribbean?”
Ik knik bevestigend.
“Well, have a safe journey” wenst hij mij toe, maar zijn lichaamstaal zegt “die is gek”.

Met een bakstagwindje zeil ik vlak langs Candelaria waar San Joao moet staan te zwaaien. Ik zie hem niet en hij neemt zijn telefoon niet op. ’s Avonds belt hij dat hij me langs heeft zien varen.
Aan het eind van de volgende middag, donderdag, de dagen hebben nog namen met betekenis, ga ik met 140 mijl op het log langs de zuidpunt van El Hiero, het meest westelijke en zuidelijke eiland van de Canaren. Voor me ligt 2560 mijl Atlantische oceaan. De wind komt mooi uit tussen N en O maar de kracht is wisselend, tussen 2 en 5 Bf . ’s Nachts is het heel donker, het is nieuwe maan en ook nog bewolkt. Een keer moet ik er uit om een tweede rif te steken, het schip gaar hard (8,6kn max) maar ook erg tekeer. Dat reven valt dan niet mee. De tweede nacht begint het te regenen en het is koud. De eerste twee etmalen zijn ook erg ongemakkelijk. De deining is 2 a 3 meter, komt van achter in en zorgt dat het schip heftige bewegingen maakt. Hoewel ik goed denk te hebben gestouwd, vliegen er toch nog boeken en appels en meer van die zaken door de kajuit. Nog beter opbergen.
Daarna wordt het wat rustiger, wen ik aan de deining, staat of ligt alles zeevast. De zon schijnt en het wordt met de dag warmer.

Zeeziek? Geen moment gelukkig. Tot een paar jaar geleden nam ik nog wel een pillenduo (domperidon en cearizine of hoe het heet, je ziet, al lang niet mer op het doosje gekeken) bij vertrek, maar nu had ik er zelfs niet aan gedacht. Afstomping van het evenwichtsbesef  bij vordering van de leeftijd?
Op zaterdag, zie ik over bakboord het laatste schip voor de komende 14 dagen.
Per etmaal ben ik gemiddeld 110 mijl dichter bij St Maarten gekomen, gezien de wind en snelheid weinig, maar ik kon niet over de 3700m hoge Teide varen en moest dus eerst wat zuidelijker onder La Gomera en El Hiero langs. Vanaf zondag worden het een paar etmalen van 140-150M, een zelfs van 154, dat is veel voor Selena. Dat blijft niet zo als de wind wat afzwakt, maar 120 tot 130M blijft dagen lukken.

Op 17 februari 22:00 uur NL-tijd ben ik HALVERWEGE!

Zoals gezegd verdwijnt het besef van dagen, ware het niet dat ik ijverig mijn logboek met positie etc bijhoud en dat ik iedere ochtend om 9:30 Monique aan de satelliettelefoon heb. Haar tijd wel te verstaan, in mijn zonnetijd wordt dat steeds vroeger naarmate ik westelijker kom. Ik kan me moeilijk aan het verschuiven van dag en nacht aanpassen, als ik Monique gebeld heb, kan ik de hazenslaapjes niet hervatten, zelfs als de zonsopgang nog (en steeds langer) op zich laat wachten.

                                                           zon komt op

De oceaan is leeg hier. Geen schepen, geen vliegtuigen boven me, geen dolfijnen, walvissen, haaien die naar me happen, slechts een enkele eenzame vogel (Wilsons stormvogeltje en de middelste jager meen ik te determineren). Wel zijn er veel vliegende vissen. Als zwaluwen scheren ze tientallen meters over het water, plotselinge bochten makend. Soms zijn het er een paar, soms is het een school (of is het zwerm, ze vliegen immers?) . Elke dag raap ik een paar mini’s, zo groot als anjovisjes, uit het gangboord. De grote wagen zich niet aan boord.

Na de eerste week is er een lange lome deining, die nu en dan een zetje meegeeft. Het schip zindert dan. Als de wind wat aantrekt komen er metershoge rollers die als ze bij het achterschip zijn er netjes onderdoor lopen. Eén dag is er geen zuchtje wind, er zijn zelfs geen rimpels op het water, spiegelglad is het, er is ook (bijna) geen deining meer. Heel heet is het. In de kajuit 31½o, buiten brandt de zon. De zeilen klappen uit verveling van de ene naar de andere kant op het beetje deining dat er blijkbaar toch nog is.

“Even een wit (= windstil) stukje”, meldt Monique tijdens onze dagelijkse satelliettelefonade. “Bij 450 WL is er weer wind, west, draaiend naar noord, 3 tot 4”.
Ik bevind me op 420 WL, 3 lengtegraden is hier meer dan 160 mijl, en die duren lang als je niet vooruit komt.
Maar uiteindelijk kom ik (geholpen door 12 uur motor bij, ook goed voor de stroomvoorziening) uit de blakte en kan ik hoog aan de NW wind gaan zeilen. Dat is even wat anders dan voor de wind! Heerlijk over een boeg, wel een beetje scheef maar zonder heen en weer geslinger.

Wat doe ik zoal gedurende de dag: het begint met koffie met een Magdalena. Ik heb er 24 gekocht, voldoende voor de overtocht. Dan het ontbijt, de eerste 1½ week met een soort bruin King Corn (weten jullie nog, omtrent 1970 was dat “in”) met kaas, of pindakaas, een gebakken eitje, honing. Sinaasappel, appel, de eerste dagen een heerlijk Canarisch banaantje.
Wat klussen, er is altijd wat te verbeteren of veranderen aan het schip, lezen, veel lezen, schrijven, ik heb intussen een schijf vol pensées.
De lunch meestal een salade met sardien of tonijn – tot de komkommer en tomaten op waren, toen werden het broodjes sardien of tonijn met geroosterde paprika (heerlijk, uit kleine blikjes van Carrefour). En ’s avonds aardappelen-met-groente, of spaghetti, of bonen met Zutaten en een yoghurtje toe. Geen glaasje wijn erbij.

Maar .... daarvoor als aperitief op het voordek, genietend van de zonsondergang, een cerveza Holandesa, inderdaad gebrouwen in Maarssen, staat er op het blikje. Na de eerste paar dagen het hoogtepunt van de dag. Ik vaar immers de zon achterna.

Op mijn kortegolfradio – eerst 10m antenne hijsen – krijg ik veel onverstaanbaar gepraat, de meeste talen herken ik niet, behalve Chinees (dankzij 10 jaar Chinese studenten begeleiden), Frans, Spaans en natuurlijk Engels. Een gesprek over een voetballer. En Amerikaans. Op een aantal golflengtes zijn evengelisten actief. Als je je maar tot Jezus bekeert komt alles goed, let’s pray together now.Als ik minder dan 100M van de eilanden kom scan ik de FM af. Vrolijke Caraibische muziek ... en weer een aantal Amerikaanse evangelisten.

De maan wordt vol de dagen na vertrek en geeft veel licht, je kunt er net niet bij lezen. Hij komt na zonsondergang op waar ook de zon opkomt – begint oranje als een sinaasappel en wordt wit als hij hoger klimt – en draait recht over me heen en gaat voor me onder waar de zon ondergaat, maar pas nadat de zon alweer achter me is opgekomen. Cappice?

Hoogtepunten:
Nog maar 1999M!
Halverwege!
Nog maar 999M! Gestaag komt St Maarten naderbij.
99M nog maar!
Bij 40M, het is middag, zie ik een bergje, het eiland St Barts, dat 10M voor St Maarten ligt. En een uur later wordt ook St Maarten zichtbaar. De wind is zwak, ik ga 3-3½ knopen, dat wordt niet voor donker binnen. De wind zwakt verder af en de snelheid loopt terug tot onder de 2kn. Ik wacht geduldig tot de maan is opgekomen en haar witte licht geeft om het zeil te strijken en de laatste 10M te motoren. Oh, wat moet dat lekker zijn, een nacht zonder er steeds uit te moeten om te kijken!

Intussen komt de AIS tot leven, er varen allerlei niet zchtbare schepen in mijn buurt. Tot ze vlak bij zijn. Het is uitkijken, de laatste twee uur.
Maar dan draai ik de Groote Baai in en .... <terug naar boven>

 

 

dinsdag 5 februari 2013

Feb 2013: pensionado op Tenerife


(below in English)
 
Mijn eerste dag als pensionado, 1 februari, in de kuip van Selena. Stralende zon tegen een diepblauwe lucht, 25 graden. In jachthavens Naarden en lelystad heb ik ze geobserveerd, de grijze energieke mannen (nooit vrouwen) die naar de boot gingen in plaats van naar hun werk – om rond vijf uur weer huiswaarts te gaan.

Not me. Om elf ur zat ik na 5 uur vliegen en 1 uur bus naar Santa Cruz de Tenerife zat ik dus in de kuip, mijn thuis voor het komende half jaar. Ze lag erbij zoals ik haar had achtergelaten, nou ja, bijna. Daarover zo meer.

Na even verdwaasd zitten waren er klussen. Zeilen aanslaan, instrumenten uit verborgen plekken vissen en aansluiten, Joao en Miriam, onze vrienden van de zomer in de armen sluiten.

 
De volgende dag boodschappen voor een maand (howel ik die ook als met Monique gedaan had afgelopen augustus, ik kan nu waarschijnlijk ook nog de Pacific over zonder gebrek).

Vrijdag en zaterdag was het pensionado-weer, zondag verre van. Zwarte wolken daalden neer vanaf de Anaga-bergen (het noorddeel van Tenerife; voor wie naar Tenerife gaat: auto huren en ernaar toe, aan de oceaankant een mini regenwoud heel anders dan het vulkanische deel rond de Teide (midden/zuiden). Met kille wind en motregen.

Onder water heb je daar geen last van dus deed ik mijn rudimentaire duikuitrusting aan om het onderwaterschip te bekijken. Dat was niet zoals ik haar hadc achtergelaten. Flora en fauna weelden tierig (en moeten ook wierig geteeld hebben). Cockles en Mussels, Molly Malone zou er rijk mee geworden zijn. Planten, klimop, wormen, een onderwaterhortus. Alleen op de schroef al zat een maal voor vier. Die heb ik eraf gekrabt, vanwege de voortgang naar een boat-lift, 3M naar het noorden om Selena’s bottom te kuisen.

Joao had intussen een uur eruit-schoonmaken-erin geregeld. Tegen wind 3 en golven 5 stampten we de drie mijl naar de Marina de Tenerife in de vissershaven. “Dat gaat een knoop schelen!” zei ik blij tegen de marina-baas. “Maak er maar 2 van” was zijn antwoord, “maar binnen twee maanden nieuwe antifouling aanbrengen, anders wordt het nog erger dan nu”. Leuke klus voor aan de overkant

Een uur later zeilden we heerlijk op het fokje terug.

We zijn er klaar voor!

De kalima waait, oostenwind recht van de Sahara, als je met je mond inademt knarsen je tanden van het zand. Tijd om te gaan.

P.s. see below for San Joao

- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - - -- - - - -

For my growing number of readers that want to follow what you could do once retired but who do not understand Dutch, I will add an English version. It will not be an exact translation.

My first day as a pensionado  February 1, I was sitting in my cockpit. I’ve seen that in the yacht harbours where I had my (2) boats. Grey but energetic men sitting in their cockpits, looking a bit lost, and than at 5 o’clock leaving for home.

Not me, having just arrived in Santa Cruz de Tenerife. Selena will be my home for some time to come. I found her as I had left her – that is, almost, as I will reveal later.

Sitting there, I felt a little lost too. In Holland the snow had just melted, and then 4 ½ hours later, it is hot, with the sun burning in a dark blue sky.

Never mind, lots of work to do. Fixing sails, connecting instruments, cleaning black sand from the deck, greeting Joao and Miriam, our Tenerifian friends.

Next day: shopping for food for a month, with the help of Joao who drove me wherever I wanted to go. Then storing all the food. There is hardly any space left, I wonder how we sailed with 3 or 4 with stores for a week at sea…

On Sunday the weather changed dramatically. Dark clouds came down from the Anaga Mountains (at the northern part of Tenerife), with chilly wind and rain. So I went under water (nice temperature) to see what Selena’s bottom was like. That was not as I had left her. Cockles, mussels (Molly Malone could have been rich selling them), plants, everything you do not want growing on the hull of your boat. The  propeller alone carried enough shells to feed a table of four. I freed the propeller of all this good food to be able to motor – against the wind – to the yacht harbour with a boat lift a few miles north.

Joao arranged a time slot for Monday. 5 quarters of wrestling agains the wind,  Selena out-of the water, cleaned and in the water in an hour – “that will be a knot faster” I said. “make that 2 knots”, the manager of the wharf assured me – and a smooth sail of 3 quarters of an hour back to the Santa Cruz Marina.
We’re ready now!

The wind that is blowing now is the Kalima, straight from the Sahara. Inhale through your mouth and there is sand grinding between your teeth. Time to go!

P.s. I will twitter to the Pope to have Joao declared San Joao, he helped me so much with fixing so much.

 

 

zondag 3 februari 2013

juli-aug 2012 Lissabon-Madeira-Tenerife


Na het innemen van vijf dagen leeftocht, diesel en een Köstrizer Schwartzbier op het terras van de jachthaven maken Ton en ik aan het begin van de avond los voor de ruim 500M op 225o naar Madeira die voor ons liggen .
We beginnen hoog aan de wind, steeds harder tot we gestaag ruim 6kn varen. De eerste uren is het druk – logisch, we steken de aanloop naar Lissabon over. Maar in de loop van de nacht worden de tussenpozen tussen schepen steeds langer. De wind ruimt naar NW en zwakt af naar 3-4Bf, we zeilen halve wind. Later in de avond, met volgens de kaart 500 fathom (900m) onder het schip scheren we langs een – niet gezien – vissersvlaggetje! Komen we er nooit af?
Tegen middernacht heb ik wat dolfijnen naast het schip. Het is niet doodstil, er zijn steeds wel wat grote schepen in de buurt, maar te ver weg om kwaad te kunnen.

De zon komt op, Selena ligt over bb en blijft over bb liggen. Als de wind een beetje schift rukje aan het groene loordje, rukje aan het rode koordje en Seleentje zoals mijn Aries windvaanstuurautomaat heet, doet verder het werk.
10 minuten is er een school dolfijnen langs de boot en dan zijn ze weer weg.
We varen op 8M langs een onderzeese berg, rondom is het 3000m diep, de top van de berg ligt 10m onder de oppervlakte. Niet leuk bij harde wind al daar vaart.

De volgende nacht is het sceepsloos, alleen maar water. “Sterren!”, “De zee licht op” zijn naast de positie, voortgang en luchtdruk nog wat kreten in het logboek.
Ik bel Monique met de satelliettelefoon dat alles goed is. Daarna zetten we twee fokken uit en dobberen met een noordelijk windje met 3½ kn verder richting Madeira.
De wind krimpt, trekt iets aan en de snelheid neemt toe. Er verschijnen weer grote schepen nu en dan, in zicht en op de AIS. Voor een moet ik zelfs de koers verleggen om een collision te vermijden.

Woensdag gaat over in donderdag. De dag (dwz als het licht is) begint bewolkt, maar in de middag komt de zon er nu en dan bij. Een school dolfijnen blijft tien minuten bij de boot hangen, onder de boeg meezwemmend, maakt sprongetje naast het schip, en gaat dan weer verder. Wat zijn het toch een mooie beesten, alsof ze door een straalmotor worden aangedreven.
Ondanks de lousy manual en rode lampjes die groen horen te zijn werkt intussen het zonnepaneel..

Als de donderdag overgaat in vrijdag zijn we halverwege. “Zee licht op” tekent Ton op in het logboek. Niet alleen de zee, ook de hemel is licht van de sterren en een halve maan, je kunt er bijna bij lezen. Om 8 uur CEST (we zitten 14o westelijk) komt de zon pas op. Het wordt een warme, zonrijke dag. We varen ter hoogte van de Sahara, constateert Ton tevreden. Om 5 uur is het tijd voor ons 5-uur-biertje. De crises van de euro en die in de PvdA worden beproken. En we constateren dat we lekker zeilen, al drie dagen lang zonder motor.

Ton heeft thuis vertelt dat het een ferme overtocht zou worden, maar dat “zelfs bij gebroken ledematen waarbij het bot naar buiten steekt, alles onder controle is, ... want  Bas heeft zelfs morfine aan boord!”.
Tenminste, dat dacht Ton. Die heb ik natuurlijk niet, en ik grap dat ik zijn echtgenote ga vertellen dat hij voorbeeldig was de hele reis, maar dat toen ik de medicijnkast controleerde alle morfine weg was. Ton moet er hard om lachen.

In de nacht, we gaan de zaterdag in, neemt de wind steeds verder af en draait hij naar het noorden, geheel zoals dinsdag voorspeld door Passageweather.com. In de ochtend valt de snelheid onder de 2kn en stuurt Seleentje niet meer. De genua wordt vervangen door de halfwinder, maar zonder effect. Ton spot op enige afstand het spuiten van een walvis, maar die komt helaas niet dichterbij. Onder de boeg zwemmen nu geen dolfijnen, maar een zwart-blauw gestreept visje van ca 15 cm.
Ton houdt het tot 15:00 vol aan de helmstok. De snelheid is minder dan 1 knoop. Met 75M tot de oostpunt van Madeira capituleer ik, met als bijkomende argumenten dat de accu wel wat stroom kan gebruiken en dat de keerkoppeling bij zeilen niet gesmeerd wordt terwijl de schroef wel draait.
Zo motoren we toch nog de laatste mijlen. Een eiland wordt langzaam zichtbaar. Niet Madeira, maar Porto Santo. We stomen er middernacht naar binnen. Een grote haven met een marineboot, wat kleine vissersbootjes en een paar jachten in boxen. Er is geen mens te zien. We gaan maar te kooi, lekker slapen zonder gewekt te worden voorde volgende wacht. 480M op het log uit Oieras in 4¼ etmaal, waarvan laatste 8 uur op de motor.

Als het licht is, is er leven in en rond de haven. Auto’s, duikers, Fransen met kinderen in het jacht naast ons. Als we een kop koffie drinken staat er plots een sombere politieman naast Selena. We moeten naar het bureau komen met scheepspapieren en paspoorten, geen haast.
Met douchespullen op weg naar het havenkantoor doen we dat maar als eerste. De politieman zit in een kale witte kamer. Hij heeft inderdaad geen haast, hij neemt ruim een half uur voor het overtikken van namen, geboortedata, scheepsnaam, kleur van het schip en zo nog wat gegevens die in Viana en Leixoes en Oeiras ook al in een rijkscomputer zijn gezet. Even later doet een vrolijke havenmeesteres hetzelfde, maar dan wat sneller.
“I am here for 12 years now, in this office, on this chair! I hope the next 12 years too!” zegt ze blij. De ruimte is gelambriseerd en voorzien van wat burghies en zeilposters en daardoor iets gezelliger dan die van de politieman, maar het lijkt me wat beperkt voor een kwart eeuw. Aan de andere kant, gezien de job situation in Portugal is het mooi om werk te hebben en te houden. Na alle formaliteiten kunnen we eindelijk naar de douche.

Schoon wandelen we vervolgens naar het dorp. Porto Santo is het strand van Madeira, dagelijks komt er een grote boot (zoiets als de pont naar Terschelling) met dagjesmensen. Het eiland en plaatsje zijn verder niet erg opwindend. Een berg van 500m in het noorden, een “berg” van 280m 10km verderop in het zuiden, met strand, huizen, hotels en natuurlijk een golfbaan ertusssen.
Om 15:30 gaan we op weg naar Madeira, doen 2 uur over 5M naar de zuidpunt van Porto Santo, waarop ik de motor maar weer aandoe voor de laatste 20M.

Monique vliegt naar Madeira en landt al om 9:05 en zal dus al vroeg bij de boot zal zijn. Daarom sla ik een nacht ankeren in de Baia de Abra over. Jammer, je ligt er in een desolate, door rode vulkaansteenhellingen omgeven baai, volstrekt groenloos. Heel bijzonder.
We gaan een paar mijl verder naar Quinta do Lorde, gunstig besproken in de Imray Pilot en aangeprzen door de havenmeesteres uit Porto Santo. Om 21:00 maken we er vast. Het haventje ziet er leuk uit bij het binnenvaren, gekleurde huizen en fantasievolle appartementsgebouwen tegen de berg geplakt, maar er is iets ...
Er zijn geen mensen, het is donker, het dorp is nog niet af. De bar aan de haven is nog wel open, we kunnen er nog net een drankje op de goede aankomst krijgen terwijl twee schril pratende vrouwen opruimen en zonneschermen weghalen. Overdag is er blijkbaar wel leven.

’s Ochtends wordt er druk gewerkt in het “dorp”, Overal zijn bouwvakkers, shovels rijden af en aan met pijpen, stenen, palmbomen. Mensen in pakken doen gewichtig bij koffie in de bar. De– alweer – havenmeesteres is zeer voorkomend: douches, wifi, wasserette, shuttle naar Machico, de nabijste plaats met supermarkt.
Om 11:00 rijdt er een taxi de kade op en daar is, na 3 weken zeilen voor mij en 3 uur vliegen voor haar, mijn Monique.

De volgende dagen verkennen we Madeira. Madeira blijkt nog mooier dan verwacht. Er waren ernstige bosbranden, maar die zijn nu uit. Nu en dan komen we langs stukjes en stukken die zwart zijn, maar verder is het eiland groen en bloemrijk. Buiten de geurbaniseerde delen is het een groot park. 
 
Zaterdag vliegt Monique via Valencia naar Tenerife. Nadat ze in de taxi is weggereden zeilen Ton en ik Quinta do Lorde uit, met 260M voor ons tot Ternerife.
Het is een voorproefje van passaatzeilen, de wind, NO 4, komt achter in. Grootzeil vast met bulletalie, boom in de fok en Seleentje doet verder het werk. De zon gaat onder, de zon komt op.

Maandagochtend varen we langs Punte de Antequera, de noordpunt van Tenerife en om 12 uur ‘s middags varen we de Darsena de los Llanos in. Op een laatste beweging door een golf krijgt het grootzeil zo’n ruk dat de draaipen uit het onderste blok van de grootschoot breekt. Beter hier dan ’s nachts op de oceaan.
Op de pier naar de Marina del Atlantico staat Monique, met haar couch-surfing host en hostess  en hun kinderen (tip voor wie eens wat anders wil dan een hotel: google couchsurfing). Er staat een marina-man klaar bij het vastleggen. Kussen, handen schudden en een biertje. Ik ben er! 2050M uit Weesp, na een prachtige, relaxte reis.

zaterdag 2 februari 2013

Juli 2012 La Coruna - Lissabon


Vrijdag de 13e juli staat er een straffe ZW wind 6m regent het. Geen dag en geen weer om 20M west en dan 25M zuidwest te gaan varen naar Cabo Fisterra. We beklimmen de Hercules vuurtoren, neergezet door de Romeinen als één van een hele keten van lichten langs deze kust. In de loop de eeuwen in verval geraakt maar eind 18e en nog eens in de 20e eeuw gerestaureerd. De kern van de toren is nog steeds het Romeinse bouwwerk. Het is daarmee de oudste werkende vuurtoren op aard. Na 250 treden omhoog waaien we boven bijkans van de toren af. We krijgen er een wijds uitzicht over Coruna voor.

De volgende dag is de wind is minder, maar nog steeds ZW Er moet gevaren worden. De zon schijnt, maar er zijn ook wolken waar buien uitkomen. Wil is dochter van de vader van Kapitein Rob (heus!) en na jaren van landlubbing wil ze nu het kan varen. Om 12 uur gaan we dus maar naar buiten, om tegen de wind in te boxen. Na vier uur gaan we overstag. De wind neemt af en ruimt in de loop van de nacht. De sterrenhemel is helderder en sterrijker dan ik ooit gezien heb.
Aan het eind van de nacht is de wind zo goed als weg en gaat de motor aan. In de opkomende zon stomen we langs Cabo Fisterra, Kaap Finisterre, het einde van de oude wereld.

We gaan een ria verder, de Ria de Muros in en varen tussen beboste hellingen naar Portosin. Sheltered, efficient and welcoming – a real pleasure, schrijft de Reeds. Een pleasurable meisje in het havenkantoor stuurt ons met de bus naar Noia, want daar is een middeleeuws festival.
Na een wilde busrit – de chauffeur denkt voor de Rally van Monte Carlo te moeten trainen – vinden we daar veel handwerkslieden, getemde roofvogels en verklede mensen, maar niet de potten met varkenspoten, pulpo, piementos die we ook verwachtten.

Met de wind recht achter, de fok uitgeboomd, grootzeil met bulletalie, met 3 knopen verder zuidwaarts. De zon brand, de uitzichten twee ria’s in zijn pràààchtig, het schip schommelt nauwelijks: dit is zoals mijn Monique zich zeilen voorstelde toen ze decennia geleden voor het eerst op een zeilboot stapte. Helaas, het IJsselmeer in het vroege voorjaar bleek geen Wereld van Peter Stuyvesant. Dit is het wel, bij Illa de Ons, dat voor de Ria de Pontevedra ligt, gaat het anker uit.

’s Ochtends om 05:00 wordt het onrustig rond de boot. Het is een komen en gaan van vissersbootjes die netten uitzetten en weer inhalen. Al met al is het een onrustige nacht. ’s ochtends zwemmen we een rondje om de boot, mede om de waterlijn van spinazie te ontdoen. Daarna ga ik met duikcilinder en in La Coruna aangeschaafte ademautomaat en haal met een oude tandeborstel de aangroeisels aan en rond het logpropellertje weg.
We gaan anker-op en als we varen geeft het log weer snelheid aan! Het is motoren helaas, wat er in de morgen aan wind was, is intussen weg. We proberen als de wind weer wat lijkt te zeilen, maar meer dan 2kn lukt niet. Grotendeels op de motor gaan we zuidwaarts, de Ria de Pontevedra uit en de Ria de Vigo in met de eilandjes Agudo, Faro en Beiro over stuurboord. Daar ligt het vol met geankerde zeil- en motorboten en zijn de strandjes vol.

We gaan naar Bayona, met een chique jachthaven/jachtclub gesitueerd voor en in het bolwerk van een oud fort. Het doet niet onder voor de American Yacht Club in Rye (NY), met een prachtinge mahoniebetimmerde eetzeel en bar, een terras met uitzicht over de haven en een als ober geklede ober die ons van koele bieren voorziet. De administratie bevindt zich spartaans in de krochten eronder. Het fort zelf, je moet door hetzelfde bewaakte hek, is een parador. Het stadje is leuk, smalle oude straatjes, veel eethuisjes, erg druk.


Na uitslapen, koffie op bed voor de schipper gaan we op weg naar Portugal. Eerst is de wind flauw, maar dan komt de vlag tot leven en blijft het windvaantje naar achteren wijzen: wind! Ik haal een oude genua (die ik in mijn wijsheid in april aan boord heb gelegd) naar boven en maak een passaattuig met twee genuas. Het werkt heel goed. De wind trekt nog wat aan, we gaan 5 knopen, zakt weer wat in, we gaan 4 knopen, we gaan over 41o 51,5’-ste breedtegraad, de grens tussen Spanje en Portugal. Spaans vlaggetje eraf, Portugees vlaggetje erop. De Portugese kust is net de Belgische: bijna een ononderbroken rij huizen en flats, met slechts hier en daar een klein stukje onbebouwd. Het lijkt de Belgische kust wel.
De wind trekt weer wat aan, we gaan 5kn, 6kn, 7kn, het waait uiteindelijk 6Bf. Ik haal de rolfok binnen. Viana do Castelo komt snel naderbij.
Binnen de pieren – die ons voor de noordenwind zouden moeten beschutten – staat nog steeds een stevige IJsselmeerdeining met schuimkoppen. Ik word nat bij het inhalen van de oude gehesen genua . Pas als we stuurboord de rivier opdraaien wordt het wat  rustiger. De brug naar de marina staat open, we worden naar een box gedirigeerd door een jonge havenmeester, vol tatoos, die zeer goed Engels spreekt en zeer vriendelijk en behulpzaam is. De haven ligt achter een loopbrug die we net zijn doorgevaren en voor een mooie meccano-brug over de rivier die geregeld vol staat met luid toeterende auto’s.

Viana is een lief stadje, heel anders dan Spanje. Het is de oudste stad van Portugal, vertelde de havenmeester, Portugal is er zogezegd begonnen. Een boulevard met boekenstallen, een kermis en dan de oude stad met koele straatjes met witte stadspaleisjes. Een kasteelachtig gebouw uit de 14e eeuw met een groot plein ervoor met terrassen en spelende kinderen. We eten sardienes en rijst met schaal- en schelpdieren in een eethuisje vol met Portugees blauw.

Haast om weg te komen hoeft niet, het is laag water en de dieptemeter staat op 0 m. In de middag gaan we naar zee. Er staat nog steeds een straf windje, op de halve genua varen we voor de wind 5½ kn. Gezien de windkracht valt de zeegang reuze mee. Na een uur of twee zwakt de wind gestaag af, gaat de fok erbij aan de andere kant en wordt de genua steeds verder uitgerold. Seleentje stuurt goed, zo voor de wind. Maar ze kan niet uitkijken. Dat moeten we zelf doen: het ligt vol met vissersvlaggetjes met krabbe- of kreeftepotten eronder die je in de golven pas 20m voor het schip ziet opduiken.
Om 22:00 (21:00 local) varen we in de schemering Leixoes in, de haven een paar mijl noordelijk van Porto. Leixoes is een containerhaven, achter stapels containers is de jechthaven. Er staat geen havenmeester en mijn poging om daar naar te vragen aan het Nederlandse jacht dat aan het eind van de eerste steiger ligt mislukt: als ik zwaai naar de dame die in de kuip zit duikt die geschrokken naar beneden en laat zich niet meer zien. Een Franse Belg, die ons ook niet dichter dan 2 meter wil hebben, zegt dat er verderop vrije boxen zijn. Daar leggen we dan maar vast.
Wil, moe van het de gehele dag pottekijken, gaat na een broodje te kooi, Ok en ik proeven de lokale wijn, voor € 1,19 in Viana gekocht en bevinden die goed.


Het is vrijdag intussen. We gaan met de bus 507 naar Porto. Is Porto mooi? Niet direct, maar het is wel een mooie rommel. Straten, straatjes en steegjes omlaag en omhoog, met dure winkels t/m rotzooiwinkeltjes. Heel veel mooie gebouwen met heel veel lang achterstallig onderhoud, niet van deze crisis, maar van de laatsts 50 jaar. Heel veel decoratie en hele vlakken met Portugese tegels, hoofdzakelijk blauw. We bezoeken de kathedraal, een massief donker bouwsel. De gangen van het aangebouwde klooster hebben prachtige tableau’s van blauwe tegels en bovenop is er uitzicht over de daken van het oude deel van Porto.
Door een doolhof van staartje dalen we af naar de rivier, sommige zo nauw dat je de muren aan beide kanten tegelijk kunt aanraken. Er zijn een paar scharrige restaurantjes, een of twee tafeltjes voor twee (met een derdestoel erbij zou het steegje geblokkeerd zijn) buiten en een zwart gat waar vetlucht hangt achter de ingang, maar die slaan we maar over.
Aan de Douro is alles anders. Een brede boulevard met grote terassen, verkopers van zonnehoeden, hoofdparasols/parasolhoeden, zonnebrillen, horloges, Portugees kant. Een oud gerimpeld mannetje met aan zijn hand een nog gerimpelder oud vrouwtje met dichtgeknepen ogen gaat met een bedelnap langs de terassen. En nartuurlijk de nodige straatmuzikanten: een saxofonist die zonder onderbreking hetzelfde deuntje van zes tonen blijft spelen, een harmonicaspeler met een versterker waar een orkest in zit (de vraag is of hij zelf iets doet) en duo van gitarist/zanger en luide basgitarist die, constateren wij later als we op een terras voor ze zitten, goede muziek maken.

Omdat we er met Selena niet kunnen varen, is een zes-bruggen-tocht op port-boot de uitgelezen manier om niet-lopend iets meer van Porto te zien. Aan de zuidoefer staan pakhuizen van alle porthuizen: Offley, Cockburn, Sandemann, Kopke, Taylor, Gruz, etc. Twee van de bruggen zijn prachtige bogen van meccano. De weg naast de rivier is vernoemd naar Gustaf Eiffel, hij zal dus een of beide gebouwd hebben.

Heel vroeg gaan we bij 0 wind de haven uit. Op de motor schiet het aardig op. Maar om 12:00 waait het voldoende om 3kn te zeilen. De wind trekt aan en in de middag lopen we 6,5kn. Het schipt duwt zich door de golven. Ik steek een rif en minder de fok iets en met 5,5kn lopen we een stuk rustiger.
Het is een uneventful day, met pottekijken want overal, zelfs boven 80m diepte drijven vissersvlaggetjes. We komen een zigzaggende tawler tegen maar die blijft een meter of 100 van ons vandaan.
’s Nachts is er wel een exiting event: de wind is minder en na lange bestudering van de heldere sterrenhemel bekijk ik het door plankton verlichte zog van het schip. Ook de golftoppen lichten op. Ik loop maar eens naar voren. Daar is meer licht in het water dan de boeggolf kan verklaren.
Een dolfijn, nee, twee, veel! Ik por Ok&Wil, “kom gauw kijken!”
Van alle kanten komen lichtstrepen op Selena af. Een half uur lang is krijgen we onderwatervuurwerk van ze, met allerei lichtpatronen voor, onder en naast het schip en af en toe een snurk en een plons. Geweldig, wat een show!
En dan is het over en zeilen we, met het afzwakken van de wind steeds langzamer, in stilte verder. We gaan over de Canhao de Nazare, een onderwatercanyon tussen Isla Berlenga en het schiereiland Peniche. De gootschalige kaart geeft een grote dikke streep van aan elkaar geplakte dieptelijnen. Binnen ½M loopt de diepte van 100m naar 700m en dan – iets minder snel – weer op. We zien en merken er niets van, behalve dat er even geen vlaggetjes zijn.


De zon komt op, het wordt ondieper en er komen weer vlaggetjes. In de loop van de ochtend komt er voldoende wind om te zeilen. De zon is warm, maar de wind is kil.
Om 14:00 gaan we rond Cabo Roca rochting Lissabon en daar trekt de wind flink aan. Een rif, wat er beter het tweede had kunnen zijn , maar we zijn er bijna. Met 7kn stuiven we langs Cascais naar Oeiras.

Om 16:00 liggen we vast. Bij het aanvaren zie we uit de Taag wat grote zeilen komen. Het blijkt het einde van een tall ship festival. Boven de seawall van de haven van Oeiras zien de masten van allerlei dwarsgetuigde schepen naar buiten gaan.

De volgende ochtend komt een politieman (“nothing is wrong”) met groot pistool aan boord die paspoorten en scheepsdocument wil zien en een formulier invult, hetzelfde dat al twee keer in eerdere havenkantoren is ingevuld.
Vanuit Oeiras gaan we in 20min met de trein naar Lissabon. We slenteren door de straatjes boven het plein van Hendrik de Zeevaarder, rijden op een oud trammetje  en dineren – het is mijn verjaardag – bij de klanken van de fado: gitaar, portugese gitaar, zang van Eurico Pavia, een charmeur van 70 met een prachtige stem en mooie jonge zangeres. Prachtig. Telefoontjes van Monique (die zich nota bene op een tjalk op het wad bevindt!), dochters en kleinzoon.
Als we terugkomen van de trein staat Ton bij het hek van de steiger. Hij gaat Ok&Wil aflossen voor de volgende etappe.